Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2988

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-11-2020
Datum publicatie
01-12-2020
Zaaknummer
19/673 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat zich op de datum in geding een situatie als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit voordoet. Geen aanleiding wordt gezien aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapporten van 12 juli 2019 en 25 oktober 2019 te twijfelen. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 673 WIA

Datum uitspraak: 26 november 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 januari 2019, 18/1282 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [naam X] hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door [naam X]. Het Uwv heeft zich door middel van videobellen laten vertegenwoordigen door M.J. van Steenwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als medewerker formulebeheer voor gemiddeld ruim 36 uur per week. Op 28 mei 2010 heeft zij zich ziek gemeld met lichamelijke klachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 26 november 2012 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid op arbeidskundige gronden is vastgesteld op 80% of meer. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv appellante met ingang van 26 februari 2014 een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid, wederom op arbeidskundige gronden is vastgesteld op 80% of meer.

1.2.

Bij brief van 22 december 2016 heeft de ex-werkgever verzocht om een herbeoordeling. In dat kader heeft appellante het spreekuur bezocht van een voor het Uwv werkzame arts, die heeft vastgesteld dat appellante belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die zijn weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2 juni 2017. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Het Uwv heeft bij besluit van 26 juni 2017 de WGA-uitkering van appellante met ingang van 27 augustus 2017 beëindigd, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 22 februari 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 18 januari 2018 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 19 februari 2018 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.1.

De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te oordelen dat het onderzoek door het Uwv onzorgvuldig is geweest. Zowel de primaire arts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben dossierstudie verricht, de arts heeft appellante onderzocht en de verzekeringsarts bezwaar en beroep was aanwezig bij de hoorzitting. De beschikbare medische informatie is bij hun beoordeling betrokken.

2.2.

De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om aan te nemen dat de medische beoordeling onjuist is. De rechtbank heeft verder overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht waarom de beroepsgronden van appellante niet tot een ander medisch standpunt leiden en inzichtelijk gemotiveerd dat de door appellante in beroep aangeleverde medische informatie geen ander licht werpt op de gezondheidstoestand van appellante. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten om daaraan te twijfelen en heeft daarom geen reden gezien voor het oordeel dat de beperkingen van appellante niet juist zijn vastgesteld.

2.3.

De rechtbank heeft ook de gronden van appellante gericht tegen de functieselectie verworpen en geoordeeld dat het Uwv met de arbeidskundige rapporten van 22 juni 2017 en van 19 februari 2018, in combinatie met het resultaat van de functiebeoordeling van 19 februari 2018 en de in beroep overgelegde nadere rapporten, voldoende heeft gemotiveerd waarom de functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijden.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat volledig is voorbijgegaan aan haar lichamelijke beperkingen die zij als gevolg van fibromyalgie heeft. Later in deze procedure heeft appellante, mede onder verwijzing naar een reactie van 23 juni 2019 en een brief van 17 juli 2019 van C.M.C. van Campen, cardioloog, verbonden aan stichting Cardio Zorg, en een brief van 14 juli 2019 van F.C. Visser, cardioloog, eveneens verbonden aan stichting Cardio Zorg, gericht aan de huisarts van appellante, aangevoerd dat de functionele beperkingen die appellante ten gevolge van CVS/ME heeft, niet dan wel onvoldoende worden erkend. Daarbij heeft appellante gewezen op het advies van 19 maart 2018 van de Commissie ME/CVS van de Gezondheidsraad dat is opgesteld op verzoek van de Tweede Kamer. Namens appellante is benadrukt dat de cardio- en cerebrovasculaire aspecten van het totale ziektebeeld CVS/ME de expertise van Visser en Van Campen is.

Ter zitting is namens appellante bevestigd dat – als enige hogerberoepsgrond – het nadere standpunt wordt ingenomen dat ten onrechte een FML is opgesteld, omdat appellante op de datum in geding geen benutbare mogelijkheden had en nog steeds heeft. Appellante was op de datum in geding volledig arbeidsongeschikt en is dat nog steeds.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen, daarbij mede verwijzend naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 juli 2019 en 25 oktober 2019.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

Op grond van artikel 2, tweede lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) kan van een arbeidskundig onderzoek worden afgezien:

a. gedurende de periode waarin uit het verzekeringsgeneeskundig onderzoek blijkt dat betrokkene geen benutbare mogelijkheden heeft;

b. indien uit het verzekeringsgeneeskundig onderzoek blijkt dat betrokkene benutbare mogelijkheden heeft maar dat hij die mogelijkheden naar verwachting binnen drie maanden zal verliezen, en dit verlies in een verzekeringsgeneeskundig onderzoek wordt vastgesteld;

c. indien uit verzekeringsgeneeskundig onderzoek blijkt dat betrokkene benutbare mogelijkheden heeft maar dat hij wegens zijn terminale ziekte een zodanig slechte levensverwachting heeft dat hij die mogelijkheden naar verwachting binnen afzienbare tijd zal verliezen, en dit verlies in een verzekeringsgeneeskundig onderzoek wordt vastgesteld;

d. indien uit een verzekeringsgeneeskundig onderzoek blijkt dat betrokkene zodanig wisselend belastbaar is voor arbeid dat betrokkene geen benutbare mogelijkheden heeft.

4.3.

Op grond van artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit zijn benutbare mogelijkheden alleen dan niet aanwezig indien:

a. betrokkene is opgenomen in een ziekenhuis of in een instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet toelating zorginstellingen die zorg verleent waarop aanspraak bestaat ingevolge de Wet langdurige zorg, met uitzondering van een inrichting waar geestelijk gestoorde delinquenten van overheidswege verpleegd worden;

b. betrokkene bedlegerig is;

c. betrokkene voor het uitvoeren van activiteiten van het dagelijks leven dermate afhankelijk is dat hij lichamelijk niet zelfredzaam is; of

d. betrokene als gevolg van een ernstige psychische stoornis in zijn zelfverzorging, in zijnn directe samenlevingsverband alsook in zijn sociale contacten, waaronder zijn werkrelaties, niet of dermate minimaal functioneert dat hij psychisch niet zelfredzaam is.

4.4.

In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 27 augustus 2017 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht de WGA-uitkering van appellante heeft beëindigd.

4.5.

Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat zich op de datum in geding een situatie als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit voordoet. Verwezen wordt naar de rapporten van de primaire arts van 2 juni 2017 (onder 4.1) en de verzekeringarts bezwaar en beroep van 18 januari 2018 (onder 6).

Naar aanleiding van de in hoger beroep door ingediende rapporten van Van Campen en Visser heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapporten van 12 juli 2019 en 25 oktober 2019 afdoende gemotiveerd dat van het door Van Campen en Visser nieuw ingebrachte feit dat appellante voornamelijk bedlegerig zou zijn, wat mogelijkerwijs duidt op een dramatische verslechtering, niets is gebleken tijdens de onderzoeksbevindingen van het spreekuur van de primaire arts (van 24 februari 2017) en de hoorzitting in bezwaar (d.d. 2 januari 2018). Ook uit de destijds van de huisarts van appellante verkregen informatie is niet naar voren gekomen dat appellante ten tijde hier van belang bedlegerig was.

Geen aanleiding wordt gezien aan de juistheid van dit standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2020.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) H. Spaargaren