Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2979

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-11-2020
Datum publicatie
01-12-2020
Zaaknummer
17/5449 WAJONG
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:4854, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag Wajong-uitkering terecht afgewezen. Het Uwv heeft de aanvraag van betrokkene terecht beoordeeld aan de hand van de criteria van hoofdstuk 1A van de Wajong 2015. Geen aanleiding om te twijfelen aan de inzichtelijk gemotiveerde conclusie van het Uwv dat betrokkene ten tijde van belang over arbeidsvermogen beschikte. Geen aanknopingspunten aanwezig om aan te nemen dat betrokkene zodanig wisselend belastbaar moest worden geacht dat hij niet beschikte over benutbare mogelijkheden. Nu de geschiktheid van de taak ‘broodjesbeleggen’ pas in hoger beroep is voorzien van een toereikende arbeidskundige onderbouwing, berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 5449 WAJONG

Datum uitspraak: 30 november 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

27 juni 2017, 16/4650 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.J.E. Stout een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het Uwv heeft een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2020. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Stout.

Het onderzoek is heropend na zitting. Het Uwv en betrokkene hebben nadere stukken ingezonden.

Partijen hebben desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene, geboren op [geboortedatum] 1992, heeft met een op 9 oktober 2015 door het Uwv ontvangen formulier een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) aangevraagd. Daarbij heeft hij te kennen gegeven dat hij epilepsie heeft en heeft hij diverse medische stukken overgelegd, waaronder een brief van 1 oktober 2015 van zijn behandelend neuroloog. Bij besluit van 7 december 2015 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat betrokkene over arbeidsvermogen beschikt. Dit besluit is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek.

1.2.

Bij besluit van 8 juni 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door betrokkene tegen het besluit van 7 december 2015 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv binnen drie maanden nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak. Tevens is het Uwv veroordeeld in de proceskosten van betrokkene en tot vergoeding van het betaalde griffierecht. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv had moeten beoordelen of betrokkene volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was in de zin van artikel 2:4, eerste lid, van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong), zoals dat artikel luidde op de achttiende verjaardag van betrokkene. Omdat deze beoordeling niet heeft plaatsgevonden, heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd.

3.1.

Het Uwv heeft in hoger beroep aangevoerd dat artikel 2:15, vierde lid, van de Wajong 2015, zoals dat geldt met ingang van 1 januari 2015, eraan in de weg staat om de op 9 oktober 2015 ontvangen aanvraag van betrokkene te beoordelen aan de hand van de criteria zoals die tot 1 januari 2015 golden. Het beoordelingskader van de aanvraag van betrokkene wordt volgens het Uwv gevormd door de met ingang van 1 januari 2015 geldende criteria van artikel 1a:1 van de Wajong 2015.

3.2.

Betrokkene heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit en zich op het standpunt gesteld dat hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 2:4 van de Wet Wajong, zoals dat artikel tot 1 januari 2015 luidde.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De beroepsgrond dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de aanvraag van betrokkene had moeten worden beoordeeld aan de hand van artikel 2:4 van de Wet Wajong, zoals dat artikel tot 1 januari 2015 luidde, treft doel. Betrokkene heeft zijn aanvraag ingediend op 9 oktober 2015. Dit is na het moment waarop gelet op artikel 2:15, vierde lid, van de Wajong 2015 nog een recht op arbeidsondersteuning op grond van de Wet Wajong kon ontstaan. Het Uwv heeft de aanvraag van betrokkene daarom terecht beoordeeld aan de hand van de criteria van hoofdstuk 1A van de Wajong 2015.

4.2.

Uit de devolutieve werking van het hoger beroep vloeit voort dat de Raad vervolgens dient te beoordelen of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat betrokkene op zijn achttiende verjaardag ([geboortedatum] 2010) en in de vijf jaar daarna arbeidsvermogen had en daarom geen recht heeft op een Wajong-uitkering. Partijen hebben hun standpunten daaromtrent in voldoende mate naar voren kunnen brengen.

4.3.1.

Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als bedoeld in artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong 2015, indien hij:

a. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;

b. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;

c. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of

d. niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.

In het tweede lid van dat artikel 1a is bepaald dat een taak als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, de kleinste eenheid van een functie is en uit één of meerdere handelingen bestaat.

4.3.2.

Volgens de nota van toelichting bij het met ingang van 1 januari 2015 gewijzigde Schattingsbesluit (Staatsblad 2014, 359, p. 5 e.v.) staat de term ‘mogelijkheden tot arbeidsparticipatie’ gelijk aan het begrip ‘arbeidsvermogen’. Arbeidsvermogen is het vermogen van een individu om doelgerichte handelingen in een arbeidsorganisatie te verrichten die resulteren in producten of diensten die een economische waarde hebben, waarmee wordt bedoeld dat een werkgever bereid is loon te betalen voor een verrichte taak.

4.3.3.

In de onder 4.3.2 genoemde nota van toelichting worden de in artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit genoemde vereisten toegelicht.

Ad 1: Een taak is de kleinste eenheid van een functie en bestaat uit één of meerdere handelingen. Om de betreffende taak te kunnen uitvoeren, moet iemand voldoen aan de taakspecifieke eisen uit de taakomschrijving.

Ad 2: Basale werknemersvaardigheden zijn vaardigheden waarover iemand altijd moet beschikken om als werknemer in een arbeidsorganisatie te kunnen functioneren. Het gaat daarbij om andere vaardigheden dan die nodig zijn om aan de specifieke eisen uit het takenbestand te kunnen voldoen. Een voorbeeld van een basale werknemersvaardigheid is het na kunnen komen van afspraken tussen werknemer en de werkgever.

Ad 3: Onder ten minste een uur aaneengesloten werken wordt verstaan dat niet vaker dan een keer per uur een substantiële onderbreking van het productieproces noodzakelijk is om de betrokkene bij te sturen. Het is daarbij niet relevant of er eventueel tijdens de werkzaamheden toezicht moet worden uitgeoefend, ook al is dat permanent noodzakelijk.

Ad 4: Onder ten minste vier uur dag belastbaar wordt verstaan dat iemand in staat is vier uur per dag te werken. Bij minder dan vier uur per dag is iemand in dat geval te weinig productief om nog van arbeidsvermogen te spreken. Een uitzondering doet zich voor als iemand minder dan vier uur, maar wel belastbaar is voor ten minste twee uur per dag en per uur ten minste het minimumloon kan verdienen.

4.4.

Het geding spitst zich toe op de vraag of betrokkene in verband met de gevolgen van een chronische neurologische aandoening (epilepsie) in staat is één uur aaneengesloten te werken en of hij vier uur per dag belastbaar is. Daarnaast staat ter discussie of de voor betrokkene geselecteerde taak ‘broodjesbeleggen’ passend is.

4.5.

De verzekeringsarts heeft rekening gehouden met de omstandigheid dat betrokkene geconfronteerd wordt met wegrakingen op onvoorspelbare momenten. In een dergelijke situatie is betrokkene gedurende enkele minuten niet goed aanspreekbaar vanwege afwezigheid en is hij nadien vermoeid. Navraag bij betrokkene en zijn moeder leverde het beeld op van een aanvalsfrequentie van ongeveer drie keer per week. De verzekeringsarts heeft betrokkene verminderd stressbestendig geacht en in verband daarmee aangenomen dat betrokkene problemen heeft bij het zelfstandig ondernemen van enkelvoudige of meervoudige taken, omgaan met stress en andere mentale eisen, omgaan met nieuwe dingen, het realiseren van handelingstempo en het overzien van de gevolgen van eigen handelen. Er zijn daarnaast problemen op het gebied van eigen gevoelens uiten en omgaan met onbekenden. Een begripvolle leidinggevende is gewenst. Verder zijn wisselende diensten, verschillende soorten werktijden en werken op gevaar opleverende plaatsen niet mogelijk. Omdat betrokkene moet kunnen recupereren vanwege zijn wegrakingen op onvoorspelbare momenten heeft de verzekeringsarts een urenbeperking van twee uur per dag aangenomen. Daarnaast heeft hij uiteengezet dat betrokkene extra begeleiding behoeft om stabiliteit te bereiken. Er moet altijd een ter zake kundig persoon aanwezig zijn die weet hoe te handelen en ook hoe anderen te instrueren als zich een aanval voordoet. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft genoteerd dat betrokkene en zijn begeleiders het beeld hebben bevestigd dat incidenteel sprake is van een grote aanval en drie à vier keer per week van een absence die een aantal minuten kan duren. Deze arts heeft geen aanleiding gezien af te wijken van de beoordeling door de verzekeringsarts.

4.6.

De arbeidsdeskundige heeft uiteengezet dat betrokkene zal moeten werken op een veilige plek, waar hij zich niet kan bezeren. Regelmatige werktijden, werken zonder veel hoge tijdsdruk en zonder hoog handelingstempo zijn nodig. Leidinggevenden en collega’s zullen op de hoogte moeten zijn van de absences. Betrokkene behoeft een duidelijke, praktische benadering met korte instructies. Hij is aangewezen op eenvoudige, rustige, routinematige, gestructureerde werkzaamheden in een stressarme omgeving met op de achtergrond enige begeleiding. Het werk moet overzichtelijk zijn en betrokkene moet niet worden geconfronteerd met veel veranderingen. Betrokkene moet de tijd worden gegund te wennen aan nieuwe dingen en moet niet worden opgejaagd. Het werk moet niet lopende band gestuurd en met een dwingend tempo zijn. Betrokkene moet in een bepaalde routine zijn eigen werktempo kunnen bepalen. Hij heeft actieve begeleiding bij het hanteren van relaties met anderen nodig. Een jobcoach is nodig om betrokkene te introduceren bij leidinggevende en collega’s, om het verloop geregeld te evalueren en bij te sturen, en betrokkene zeker in het begin te begeleiden. Er zal ook iemand aanwezig moeten zijn die weet hoe te handelen en anderen te instrueren als zich een aanval voordoet. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft deze voorwaarden voor het functioneren in werk gehandhaafd. Over de geselecteerde taak heeft hij opgemerkt dat de tot de taak ‘broodjesbeleggen’ behorende werkzaamheden eenvoudig, overzichtelijk, gestructureerd en routinematig zijn en in een eigen, niet dwingend opgelegd tempo worden uitgevoerd in een rustige, stressarme omgeving. In een rapport van 23 maart 2020 heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep desgevraagd aanvullend gemotiveerd dat door het dragen van anti-snijhandschoenen kan worden voorkomen dat bij wegrakingen snij- of schaafwonden ontstaan. De werkgever dient verder passende maatregelen te nemen om slip- en uitglijdrisico door bijvoorbeeld gladde vloeren weg te nemen. Daarnaast zijn andere taken passend, zoals de taak ‘invoeren van gegevens’ en ‘scannen’.

4.7.

Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de inzichtelijk gemotiveerde conclusie van het Uwv dat betrokkene ten tijde van belang over arbeidsvermogen beschikte. Daarbij wordt betrokken dat zowel door de verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep navraag is gedaan over de frequentie van de aanvallen ten tijde in geding en de omvang en impact daarvan. Ook bij de arbeidsdeskundige is de aanvalsfrequentie besproken. Het Uwv heeft daarover ter zitting uiteengezet dat, gelet op doel en strekking van het begrip arbeidsvermogen, in voorkomende gevallen bij het in aanmerking te nemen verzuimrisico naar analogie wordt aangesloten bij de in het kader van de overige arbeidsongeschiktheidswetten ontwikkelde rechtspraak over artikel 9, aanhef en onder e, van het Schattingsbesluit. Dat houdt in dat bij een verzuimrisico (op werkdagen) van ten minste 30% geen arbeidsvermogen wordt aangenomen. Een dergelijk verzuimrisico is hier niet aan de orde. Bij een lager verzuimrisico wordt dit beoordeeld in relatie tot een aantal andere factoren, zoals de vraag of vervanging door een werkgever eenvoudig te realiseren zal zijn, bijvoorbeeld als de uit te voeren taak niet persoonsgebonden en eenvoudig van aard is. Ook wordt bezien of de taak passend is, gelet op het risico dat een epileptische aanval in de werkomgeving kan meebrengen. In deze factoren zijn in de voorliggende zaak geen belemmeringen gezien om arbeidsvermogen bij betrokkene aanwezig te achten. Er zijn ook geen aanknopingspunten aanwezig om aan te nemen dat betrokkene ten tijde van belang zodanig wisselend belastbaar moest worden geacht dat hij niet beschikte over benutbare mogelijkheden.

4.8.

Dat betrokkene niet in staat zou zijn de taak ‘broodjesbeleggen’ te verrichten wordt niet gevolgd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 23 maart 2020 een aanvullende motivering gegeven waaruit afdoende blijkt dat betrokkene in staat moet zijn aan de taak-specifieke eisen te voldoen mits voldoende voorzieningen worden getroffen, al dan niet in een beschutte werkomgeving.

4.9.

Ook het betoog dat betrokkene is uitgevallen voor zijn in februari 2016 aangevangen werkzaamheden bij de Hema, op grond waarvan hem achtereenvolgens ziekengeld en een loongerelateerde uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is toegekend, leidt niet tot een ander oordeel. Het wettelijk beoordelingskader van hoofdstuk 1A van de Wajong 2015 komt niet overeen met dat van de Ziektewet (ZW) en de Wet WIA. Daarnaast dateren de ZW- en WIA-beoordelingen van na de in dit geding te beoordelen periode.

4.10.

Uit 4.1 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep van het Uwv slaagt en dat de aanvraag van appellant om een Wajong-uitkering terecht is afgewezen. Nu de geschiktheid van de taak ‘broodjesbeleggen’ pas in hoger beroep is voorzien van een toereikende arbeidskundige onderbouwing, berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering. Deze schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet Bestuursrecht (Awb) wordt met toepassing van artikel 6:22 van die wet gepasseerd, omdat aannemelijk is dat belanghebbenden door deze schending niet zijn benadeeld. Ook als dit gebrek zich niet had voorgedaan, zou een besluit met een gelijke uitkomst zijn genomen. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd, met uitzondering van de daarin gegeven beslissingen over proceskosten en griffierecht, en het beroep tegen het besluit van 8 juni 2016 zal ongegrond worden verklaard.

5. De toepassing van artikel 6:22 van de Awb geeft aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.050,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, behalve de beslissingen over proceskosten en griffierecht;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 8 juni 2016 ongegrond;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en D. Hardonk-Prins en S.B. Smit-Colenbrander als leden, in tegenwoordigheid van A.L. Abdoellakhan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 november 2020.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) A.L. Abdoellakhan