Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2969

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-11-2020
Datum publicatie
30-11-2020
Zaaknummer
18/5061 WMO15
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

In het medisch advies van SCIOPENG is de problematiek van appellante voldoende inzichtelijk gemaakt en zijn haar beperkingen goed in beeld gebracht. Appellante heeft niet onderbouwd waarom zij meer of andere hulp nodig heeft. Van medische bezwaren om van de algemene voorzieningen gebruik te maken is niet gebleken en het college heeft voldoende inzichtelijk gemaakt dat voor appellante geen financiële belemmeringen bestaan om daarvan gebruik te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2021/16 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman
USZ 2021/13
NBJ-Wmo/2021/002 met annotatie van Mr. C.W.C.A. Bruggeman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 5061 WMO15

Datum uitspraak: 11 november 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 6 september 2018, 18/210 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Westerwolde, als rechtsopvolger van het college van burgemeester en wethouders van Bellingwedde (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft tezamen met de zaak 19/774 WMO15 plaatsgevonden op 30 september 2020. Namens appellante is mr. Bakker verschenen. Het college is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 26 oktober 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 april 2016, heeft het college geweigerd appellante in aanmerking te brengen voor een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), omdat zij gebruik kan maken van algemene voorzieningen.

1.2.

De rechtbank Noord-Nederland heeft bij uitspraak van 17 januari 2017 (16/2195) het beroep van appellante tegen het besluit van 19 april 2016 gegrond verklaard, dit besluit vanwege strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

1.3.

Het college heeft ter uitvoering van de in 1.2 genoemde uitspraak bij besluit van 1 december 2017 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante, onder verwijzing naar een medisch advies van SCIOPENG van 28 juli 2017, ongegrond verklaard. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat met de huishoudservice voor twee uur en dertig minuten per week, aangevuld met de was- en strijkservice, de beperkingen van appellante in haar zelfredzaamheid kunnen worden weggenomen en dat deze algemene voorzieningen voor haar financieel haalbaar zijn.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover van belang, overwogen dat in het medisch advies van SCIOPENG de problematiek van appellante voldoende inzichtelijk is gemaakt en haar beperkingen goed in beeld zijn gebracht. Appellante heeft niet onderbouwd waarom zij meer of andere hulp nodig heeft. Van medische bezwaren om van de algemene voorzieningen gebruik te maken is niet gebleken en het college heeft voldoende inzichtelijk gemaakt dat voor appellante geen financiële belemmeringen bestaan om daarvan gebruik te maken.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft, kort samengevat, aangevoerd dat het medisch onderzoek te beperkt is geweest en dat de algemene voorzieningen (de huishoudservice en de was- en strijkservice) voor haar ontoereikend en niet passend zijn. Volgens appellante heeft zij daarom recht op een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning met een omvang van drie uur per week in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Omdat het college te laat op de aanvraag heeft beslist, heeft zij in ieder geval recht op een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb tot aan de datum van het bestreden besluit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. De Raad voegt hier het volgende aan toe.

4.2.

De grond van appellante dat zij in aanmerking dient te komen voor een maatwerkvoorziening tot aan de datum van het bestreden besluit, omdat het lang heeft geduurd voordat het college op de aanvraag heeft beslist, treft geen doel. Hiervoor bestaat, zoals de gemachtigde van appellante ter zitting ook erkend heeft, geen grondslag in de wet- en regelgeving.

4.3.

Voor zover appellante ter zitting met verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 30 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:397, heeft bedoeld aan te voeren dat de huishoudservice en de was- en strijkservice niet voldoen aan de vereisten als opgenomen in deze uitspraak, blijft bespreking van deze grond achterwege vanwege strijd met de goede procesorde. Appellante had dit veel eerder in de procedure kunnen aanvoeren.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Gelet hierop is er geen grond voor toewijzing van het verzoek om schadevergoeding.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en D. Hardonk-Prins en A.T. Marseille als leden, in tegenwoordigheid van R. van Doorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2020.

(getekend) L.M. Tobé

(getekend) R. van Doorn