Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2967

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-11-2020
Datum publicatie
30-11-2020
Zaaknummer
18/1424 BBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verlenging BBZ. Niet levensvatbaar bedrijf. In het advies over de prognose van omzet van het IMK heeft het de ziekte van appellante niet op een kenbare wijze betrokken. Meer in het bijzonder blijkt uit het advies van het IMK niet of appellante bij volledige beschikbaarheid wel een toereikend inkomen zou kunnen behalen met haar bedrijf. Voor zover het IMK met zijn advies heeft bedoeld te concluderen dat appellante de taakstellende begroting ook niet zal halen wanneer de bedrijfsresultaten niet zouden worden beïnvloed door haar ziekte en de daarmee samenhangende beperkte inzet, ontbreekt daarvoor een onderbouwing. Hieruit volgt dat de afwijzing niet berust op een draagkrachtige motivering en om die reden niet in stand kan blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2021/8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1424 BBZ

Datum uitspraak: 24 november 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
5 februari 2018, 17/2668 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Best (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Yadegari, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een nader stuk overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2020. Appellante is verschenen, vergezeld door [naam] en bijgestaan door mr. D.M. Lamers en
mr. R.W.J. Soetekouw. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door D. Matheelsen en D. Pol.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante is op 1 juni 2014 gestart met de exploitatie van een pedicure- en schoonheidssalon in de vorm van een eenmanszaak. Het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven heeft appellante van 1 september 2014 tot 1 oktober 2015 op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) bijstand verleend voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan (Bbz-bijstand). Na verhuizing van appellante van Eindhoven naar Best heeft het college appellante aansluitend van 1 oktober 2015 tot en met 30 september 2016 Bbz-bijstand verleend. De Bbz-bijstand is verleend met inachtneming van een ten aanzien van het bedrijf van appellante in 2016 door Motivity B.V. uitgebracht rapport.

1.2.

Op 20 januari 2017 heeft appellante een aanvraag ingediend om verlenging van de
Bbz-bijstand met ingang van 1 oktober 2016. Het college heeft daarop het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK) gevraagd een bedrijfseconomisch onderzoek in te stellen naar het bedrijf van appellante en te adviseren over de aanvraag.

1.3.

Het IMK heeft op 1 maart 2017 advies uitgebracht aan het college. In dat advies concludeert het IMK dat het bedrijf van appellante niet levensvatbaar is. In het advies heeft het IMK als grondslag van die conclusie – samengevat – het volgende vermeld. Appellante doet, na eerder 25 maanden Bbz-bijstand te hebben ontvangen, opnieuw een aanvraag voor tijdelijke inkomensondersteuning op grond van het Bbz 2004. Er is sprake van een zeer lange aanloopperiode, die deels het gevolg is van verminderde inzetbaarheid als gevolg van ziekte. Na ruim twee en een half jaar ondernemerschap stagneert het omzetniveau op € 8.000,- per jaar. Hierbij spelen de persoonlijke omstandigheden weliswaar een rol, maar vooralsnog is niet duidelijk of daar op korte termijn verandering in komt. De concurrentie in de branche, ook onder de medische pedicures, is zeer fors. Dit maakt dat de omzetmogelijkheden marginaal zijn. Gemiddeld werd in 2015 en 2016 circa € 663,- omzet per maand behaald. In de laatste drie kwartalen van 2016 was de omzet, die toen gemiddeld € 700,- per maand bedroeg, stabiel. Al met al is de omzet nog uiterst marginaal, vooral als gevolg van de persoonlijke omstandigheden (ziekte) van appellante. De afgelopen jaren is het bedrijfsresultaat stabiel gebleven. Met € 3.500,- tot € 4.000,- per jaar is het resultaat veel te laag om zelfstandig in de noodzakelijke privéonttrekkingen te kunnen voorzien. Voor 2017 is indicatief uitgegaan van 38 behandelingen per maand, zoals in januari van dat jaar gerealiseerd. Hieruit vloeit een omzetprognose voort van afgerond € 10.300,-. De taakstellende begroting werd in 2016 door Motivity becijferd op afgerond € 22.500,-. Wij nemen deze begroting over. Deze begroting impliceert meer dan 80 behandelingen per maand. Dit staat nog mijlenver af van de huidige realiteit. De taakstellende begroting is gelet op onze bevindingen niet langer haalbaar. Appellante zal naar verwachting er niet in slagen haar bedrijf levensvatbaar te exploiteren.

1.4.

Bij besluit van 15 maart 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 september 2017 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellante van 20 januari 2017 afgewezen. Hieraan heeft het college, onder verwijzing naar het advies van 1 maart 2017 van het IMK, ten grondslag gelegd dat het bedrijf van appellante niet levensvatbaar is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt, mede gelet op het verhandelde ter zitting, van
1 oktober 2016 tot en met 15 maart 2017.

4.2.

Artikel 23, eerste lid, van het Bbz 2004 bepaalt, voor zover hier van belang, dat aan de beginnende zelfstandige gedurende ten hoogste 36 maanden algemene bijstand wordt verleend. Verlenging van deze termijn is mogelijk indien de zelfstandige om redenen van medische of sociale aard niet volledig beschikbaar is voor de uitoefening van het bedrijf of het zelfstandig beroep. Het derde lid, aanhef en onder b, van dit artikel, zoals dit luidde ten tijde hier van belang, bepaalt dat bij verlenging van de toekenning van algemene bijstand om redenen van medische of sociale aard, het college onderzoekt of het bedrijf nog levensvatbaar is.

4.3.

In de memorie van toelichting bij artikel 8, tweede lid, van de Algemene bijstandswet (Kamerstukken II 1998/99, 26 498, nr. 3, p. 5), dat in essentie gelijkluidend was aan artikel 23, eerste lid, van het Bbz 2004, is het volgende opgenomen:

“Uit effectiviteitsonderzoek en de evaluatie van het Bbz is gebleken dat een periode van
18 maanden waarin algemene bijstand wordt verleend in veel gevallen te kort is. Daarom wordt voorgesteld om de periode te verlengen tot 36 maanden. Hiermee wordt tevens aangesloten op de maximale periode dat algemene bijstand kan worden verstrekt aan een zelfstandige die reeds gedurende een redelijke termijn als zodanig werkzaam is. Tevens wordt het wenselijk geacht dat deze periode van 36 maanden door burgemeester en wethouders kan worden verlengd voor personen die slechts beperkt beschikbaar zijn om redenen van medische of sociale aard. Deze personen kunnen onder de bestaande regeling niet starten met behulp van het Bbz omdat zij – doordat zij zich niet fulltime kunnen inzetten – niet kunnen voldoen aan de eis dat zo snel mogelijk moet kunnen worden voorzien in een toereikend inkomen. Om ook deze personen een kans te geven een bedrijf of zelfstandig beroep te starten wordt voorgesteld om de hiervoor beschreven mogelijkheid voor burgemeester en wethouders aan het tweede lid toe te voegen. Overigens blijft voorop staan dat het bedrijf of beroep levensvatbaar dient te zijn. Dit houdt in dat als de starter volledig beschikbaar zou zijn, verwacht mag worden dat een toereikend inkomen wordt behaald.”.

4.4.

Een levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep is ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 het bedrijf of zelfstandig beroep waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan. Dit betekent dat het inkomen toereikend dient te zijn om alle aflossingsverplichtingen te voldoen, dat voldoende middelen beschikbaar zijn om het bedrijf op peil te houden en dat voorts wordt voorzien in de kosten van het bestaan. Vergelijk de uitspraak van 24 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:516.

4.5.

Tussen partijen is in geschil of het bedrijf van appellante ten tijde hier van belang levensvatbaar was in de zin van artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004. Voor de beoordeling van de levensvatbaarheid van een bedrijf is bepalend: de situatie van het bedrijf ten tijde van het besluit op de aanvraag, in dit geval 15 maart 2017. Met eventuele ontwikkelingen na dat tijdstip wordt geen rekening gehouden.

4.6.

Een bijstandverlenende instantie kan zich over de levensvatbaarheid van een bedrijf laten adviseren en zijn besluitvorming baseren op concrete adviezen daarover van een deskundige instantie als het IMK. Het college mocht dan ook bij de besluitvorming afgaan op het advies van het IMK, tenzij concrete aanknopingspunten bestonden om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies of aan de inhoud daarvan.

4.7.

Appellante heeft aangevoerd dat het advies van 1 maart 2017 van het IMK niet juist is. Volgens appellante is haar ziekte daarin onvoldoende, althans niet kenbaar, meegewogen. Deze beroepsgrond slaagt op grond van de volgende overweging.

4.8.

Appellante heeft tegenover het IMK verklaard dat zij door ziekte beperkt was in het aantal te verrichten behandelingen en dat zij soms ook geplande afspraken moest afzeggen vanwege haar ziekte. Het IMK heeft dit in het onder 1.3 aangehaalde advies erkend. Daarin is vermeld dat sprake is van een zeer lange aanloopperiode en marginale omzetcijfers over de jaren 2015 en 2016 en dat die (deels) het gevolg zijn van ziekte van appellante. In het advies maakt het IMK vervolgens een prognose van de omzet voor 2017 op basis van de in januari 2017 gerealiseerde behandelingen en concludeert, onder verwijzing naar de taakstellende begroting, dat het bedrijf van appellante niet levensvatbaar is. Het IMK heeft daarbij echter
– zoals ook ter zitting erkend door het college – de ziekte van appellante niet op een kenbare wijze betrokken. Meer in het bijzonder blijkt uit het advies van het IMK niet of appellante bij volledige beschikbaarheid wel een toereikend inkomen zou kunnen behalen met haar bedrijf. Voor zover het IMK met zijn advies heeft bedoeld te concluderen dat appellante de taakstellende begroting ook niet zal halen wanneer de bedrijfsresultaten niet zouden worden beïnvloed door haar ziekte en de daarmee samenhangende beperkte inzet, ontbreekt daarvoor een onderbouwing.

4.9.

Uit 4.8 volgt dat het bestreden besluit niet berust op een draagkrachtige motivering en om die reden niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Er is geen aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. De Raad kan evenmin zelf in de zaak voorzien.

4.10.

Gelet op 4.9 zal de Raad het college opdragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen. Ter zitting heeft appellante gesteld dat haar concurrentiepositie in het advies van het IMK onjuist is beoordeeld, in die zin dat zij niet alleen als medische pedicure werkt, maar dat zij ook schoonheidsspecialiste is en dat haar dienstenaanbod daarmee breder is dan waarvan het IMK bij het vaststellen van de concurrentieverhoudingen en het marktperspectief is uitgegaan. Bij de nieuwe beslissing op het bezwaar zal het college, bij handhaving van de afwijzing van de aanvraag, deze stelling van appellante moeten betrekken.

4.11.

Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het college te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat verder het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.050,- in beroep en € 1.050,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en € 27,40 voor reiskosten, in totaal € 2.127,40.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 12 september 2017;

  • -

    draagt het college op een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat beroep tegen het nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.127,40;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 172,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk als voorzitter en E.C.G. Okhuizen en
K.M.P. Jacobs als leden, in tegenwoordigheid van I.A. Siskina als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2020.

(getekend) F. Hoogendijk

de griffier is verhinderd te ondertekenen