Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2966

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-2020
Datum publicatie
30-11-2020
Zaaknummer
18/3465 WMO15
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Hoger beroep niet-ontvankelijk. De Raad stelt vast dat het hoger beroepschrift buiten de beroepstermijn is ontvangen. Er is geen aanleiding de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3465 WMO15, 18/3466 WMO15

Datum uitspraak: 18 november 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
19 april 2018, 17/628 en 17/784 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Hattem (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.A. van der Kleij, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van schade.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2020. Appellante is verschenen, vergezeld van [naam], en bijgestaan door mr. Van der Kleij. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door D. Jonker-Ezendam, MSc.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Het college heeft bij besluit van 23 december 2015, gehandhaafd bij besluit van
28 juni 2016 (bestreden besluit 1), aan appellante op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) maatwerkvoorzieningen begeleiding formeel en informeel en huishoudelijke hulp verstrekt.

1.2.

Het college heeft bij besluit van 19 juli 2016, gehandhaafd bij besluit van
31 januari 2017 (bestreden besluit 2), aan appellante op grond van de Wmo 2015 maatwerkvoorzieningen begeleiding informeel en huishoudelijke hulp verstrekt.

2.1.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, de beroepen tegen de bestreden besluiten gegrond verklaard, bestreden besluit 1 gedeeltelijk vernietigd, bestreden besluit 2 vernietigd, het besluit van 23 december 2015 gedeeltelijk herroepen, het besluit van 19 juli 2016 herroepen, bepaald dat appellante aanspraak maakt op maatwerkvoorzieningen met een ruimere omvang en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van bestreden besluit 1 en het vernietigde bestreden besluit 2.

2.2.

De rechtbank heeft bij ongedateerde hersteluitspraak, verzonden bij brief van 14 juni 2018, het dictum van de aangevallen uitspraak hersteld. Het dictum bevat een gebrek voor wat betreft het aantal te verstrekken uren bij het zelf in de zaak voorzien. Dit gebrek heeft de rechtbank hersteld door dit aantal uren in overeenstemming te brengen met de overwegingen in de aangevallen uitspraak. In de hersteluitspraak is verder vermeld dat de hersteluitspraak geen wijziging brengt in de termijn voor hoger beroep tegen de oorspronkelijke uitspraak.

3. Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak en verzocht om veroordeling tot vergoeding van schade.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad stelt vast dat het hoger beroepschrift buiten de beroepstermijn is ontvangen. Dit betekent dat het hoger beroep niet tijdig is ingesteld en dat moet worden beoordeeld of de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

4.2.

Appellante heeft betoogd dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht, omdat eerst door een hersteluitspraak aanleiding is ontstaan om hoger beroep in te stellen en de rechtbank ten onrechte de uitspraak niet vervallen heeft verklaard. De Raad volgt dit betoog niet. Namens appellante is tijdens de zitting in hoger beroep verklaard dat zij ten tijde van de hoger beroepstermijn op de hoogte was van de discrepantie tussen de overwegingen en het dictum van de aangevallen uitspraak. Desondanks heeft ze weloverwogen besloten om geen hoger beroep in te stellen. Daarom bestaat geen aanleiding de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

4.3.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is. Dit betekent dat de Raad niet toekomt aan een beoordeling van de overige gronden en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en D.S. de Vries en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van B.H.B. Verheul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2020.

(getekend) L.M. Tobé

(getekend) B.H.B. Verheul