Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2965

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-11-2020
Datum publicatie
30-11-2020
Zaaknummer
17/3917 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft met het opgemaakte rapport niet aannemelijk gemaakt dat appellant zich agressief en intimiderend heeft gedragen tijdens het gesprek met de handhavingsmedewerkers. Ook anderszins heeft het college dat niet aannemelijk gemaakt. Niet in geschil is dat de enkele in de telefoonnotitie bedoelde gedraging van appellant, waaruit is op te maken dat hij heeft gezegd ‘Ach rot toch op, rotwijf’, geen toereikende grondslag is voor het standpunt van het college dat appellant zich zeer ernstig heeft misdragen. Dit betekent dat het college de bijstand van appellant ten onrechte voor de duur van één maand met 100% heeft verlaagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2021/19
JWWB 2021/5
Gst. 2021/32 met annotatie van J.C. de Wit, M.I.T. Albers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3917 PW

Datum uitspraak: 24 november 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

11 april 2017, 16/5780 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Tahitu, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Tahitu. Het college heeft, hoewel daartoe opgeroepen, zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, die tot de doelgroep dak- en thuislozen behoort, ontvangt vanaf 1 januari 2013 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW).

1.2.

In het kader van een project Traject Briefadressen hebben twee handhavingsmedewerkers van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (handhavingsmedewerkers) een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant.

1.2.1.

In dat verband hebben zij op 17 december 2015 een bezoek gebracht aan een van de door appellant opgegeven verblijfslocaties, te weten het adres van diens vader. De handhavingsmedewerkers hebben appellant daar aangetroffen, maar in verband met de houding van appellant geen huisbezoek afgelegd.

1.2.2.

Het college heeft appellant vervolgens bij brief van 17 december 2015 uitgenodigd voor een gesprek met de handhavingsmedewerkers op 18 december 2015 op het kantoor van de gemeente. Op 18 december 2015 heeft appellant naar aanleiding van deze uitnodiging telefonisch contact opgenomen met een medewerker van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (medewerker). De medewerker heeft van dat gesprek een telefoonnotitie opgemaakt (telefoonnotitie). Daarin is het volgende vermeld.

“In afwezigheid van collega [X], is klant doorverbonden met OGT. Klant geeft aan dat hij met collega [X] heeft afgesproken dat hij hem zou bellen wanneer zij langs gaan op huisbezoek. Geprobeerd uit te leggen dat dit niet de normale gang van zaken is en dat HH niet verplicht is klant te bellen. Ogt geeft aan de overdracht te lezen. Klant wordt boos en geeft aan afspraken met mevrouw [X] en niet met OGt. Uitgelegd dat collega op vakantie is en daarom ogt en tijdelijk overneemt. Hij begin te schreeuwen dat ogt hem niet moet komen vertellen dat dit de normale gang van zaken zijn en dat hij om mevrouw [X] heeft gevraagd. Schreeuwt ‘Ach rot toch op, rotwijf’ en hangt op.”

1.2.3.Appellant is daarna op diezelfde dag voor het gesprek met de handhavingsmedewerkers op het kantoor verschenen. De handhavingsmedewerkers hebben van hun bevindingen verslag gedaan in een rapport van 29 december 2015 (rapport). Daarin is het volgende vermeld.

“Klant kwam al met een intimiderende houding de spreekkamer binnen. Zoals gebruikelijk stel ik mij voor aan de klant en geef ik de klant altijd een hand. Klant gaf aan geen behoefte te hebben om mij een hand geven en gaf aan hier zijn reden voor te hebben (welke reden heeft klant niet gezegd). Klant is ook niet verplicht mij een hand te geven en dat heb ik hem ook medegedeeld, ook heb ik hem medegedeeld dat hij mij geen hand hoeft te geven maar dat ik wel een andere houding en gedrag van hem verwacht. Klant gaf aan dat dit voor hem normaal gedrag is. Ik heb klant medegedeeld dat ik het geen normaal gedrag. Ik wilde hem ook confronteren met het feit dat hij zich niet netjes had gedragen tijdens het telefoongesprek vandaag om 12:20 uur met [Y]. Omdat klant zijn intimiderende houding bleef voortzetten, heb ik klant op zijn medewerkingsplicht gewezen, terwijl ik hem dit mededelen begon klant over de uitnodigingsbrief dat er een verkeerd adres opstond en dat hij daar niet woonde. Terwijl ik wilde uitleggen waarom er op de brief het adres van zijn vader stond bleef klant maar herhalen dat de brief niet klopte en dat hij daar niet woont.

Ik heb klant nogmaals verzocht om zijn houding en gedrag te veranderen en gewoon rustig te blijven en dat ik hem met respect behandel en dat ik dit ook van hem verwacht. Klant gaf toen aan dat je respect moet verdienen.

Omdat klant aanhoudelijk agressief en intimiderend gedrag bleef vertonen, heb ik samen met collega handhavingspecialist [Z] besloten om het gesprek te beëindigen dit omdat er met klant geen fatsoenlijk gesprek mogelijk was omdat klant zijn agressieve houding en gedrag bleef voort zetten.

Hierop hebben wij de beveiligde spreekkamer verlaten en heb ik een melding gemaakt in het GIR. De verklaring van klant […] is niet in concept opgenomen”

1.3.

Bij besluit van 11 januari 2016 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 18 december 2015 ingetrokken op de grond dat appellant op 18 december 2015 de op hem rustende medewerkingsverplichting als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de PW heeft geschonden. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

1.4.

Bij besluit van 27 juli 2016 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover hier van belang, het bezwaar van appellant tegen het onder 1.3 vermelde besluit gegrond verklaard, dat besluit herroepen, en met toepassing van artikel 9, eerste lid, van de Verordening maatregelen, handhaving en verrekenen bestuurlijke boete van de gemeente Amsterdam (Maatregelverordening Participatiewet) de bijstand van appellant bij wijze van maatregel met ingang van 1 januari 2016 voor de duur van een maand verlaagd met 100%. Aan de maatregel heeft het college het volgende ten grondslag gelegd. Appellant heeft zich op 18 december 2015 ernstig misdragen. Hij heeft tijdens het telefoongesprek op die datum tegen de medewerker ‘Ach rot toch op, rotwijf’ gezegd en zich tijdens het gesprek met de handhavingsmedewerkers agressief en intimiderend gedragen. Daarmee is, zoals het college ter zitting heeft toegelicht, appellant de verplichting als bedoeld in artikel 9, zesde lid van de PW niet nagekomen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij het besluit om de bijstand bij wijze van maatregel te verlagen in stand is gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende bepalingen van belang.

4.1.1.

De belanghebbende is verplicht zich te onthouden van zeer ernstige misdragingen jegens de met de uitvoering van deze wet belaste personen en instanties tijdens het verrichten van hun werkzaamheden. Dit staat in artikel 9, zesde lid, van de PW.

4.1.2.

Ingevolge artikel 18, tweede lid, van de PW, voor zover hier van belang, verlaagt het college de bijstand overeenkomstig de verordening bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, ter zake van het niet nakomen door de belanghebbende van de verplichtingen voortvloeiende uit deze wet. De hier bedoelde verordening is de Maatregelverordening Participatiewet.

4.1.3.

In artikel 9, eerste lid, van de Maatregelverordening Participatiewet is bepaald, dat wanneer de belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt jegens personen die onder verantwoordelijkheid of in opdracht van het college werkzaam zijn bij de uitvoering van de in artikel 1 vermelde wetten, een maatregel van de derde categorie wordt opgelegd. In artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g van die verordening is onder meer de PW vermeld. Ingevolge artikel 9, tweede lid van de Maatregelverordening Participatiewet wordt onder zeer ernstige misdragingen in ieder geval verstaan: verbaal geweld, discriminatie, intimidatie, lichamelijk geweld of bedreiging met lichamelijk geweld, gijzelneming, huis- of lokaalvredebreuk met geweld, dreiging met geweld of enige andere feitelijkheid.

4.1.4.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, ten eerste, van de Maatregelverordening Participatiewet bedraagt de maatregel bij een gedraging van de derde categorie 100% van de uitkering voor de duur van één maand.

4.2.

Het opleggen van een maatregel is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor het opleggen van een maatregel is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen. In dit geval betekent dit dat het college aannemelijk moet maken dat appellant de verplichting als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de PW niet is nagekomen.

4.3.

Het college heeft hiertoe gewezen op het samenstel van gedragingen van appellant, zoals die zijn beschreven in de telefoonnotitie en het rapport, dat de grondslag vormt voor het bestreden besluit.

4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte van de juistheid van de, onder 1.2.2 aangehaalde, telefoonnotitie is uitgegaan. In het bijzonder ontkent appellant dat hij tijdens het telefoongesprek heeft gezegd: ‘Ach rot toch op, rotwijf’. Deze beroepsgrond slaagt niet. De telefoonnotitie bevat een gedetailleerde weergave van het telefoongesprek. Bovendien is de telefoonnotitie onmiddellijk na afloop van het gesprek opgemaakt. Verder heeft appellant ter zitting bevestigd dat hij ontevreden was over het telefoongesprek. Gelet op deze omstandigheden is de enkele ontkenning dat appellant de bedoelde uitlating heeft gedaan, ontoereikend om te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van de telefoonnotitie.

4.5.

Appellant heeft verder aangevoerd dat in het, onder 1.2.3 aangehaalde, rapport niet objectief is beschreven hoe de contacten met de handhavingsmedewerkers zijn verlopen. Hij stelt dat hij zich niet intimiderend heeft gedragen en dat ten onrechte is geoordeeld dat hij zich ernstig heeft misdragen. Deze beroepsgrond slaagt. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.5.1.

Een rapport dat als basis dient voor bestuurlijke besluitvorming dient volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 22 oktober 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO1702) te voldoen aan de eis dat inzichtelijk wordt gemaakt op welke waarnemingen en verklaringen de getrokken conclusies zijn gebaseerd en langs welke weg vervolgens die conclusies zijn bereikt.

4.5.2.

De weigering van appellant de handhavingsmedewerker een hand te geven, is niet als agressief en intimiderend gedrag aan te merken. Uit de opmerking van de handhavingsmedewerker dat appellant daartoe niet verplicht was, is af te leiden, zoals het college ter terechtzitting heeft bevestigd, dat het college die weigering ook niet zo heeft opgevat. Ook het feit dat appellant bij herhaling opmerkte dat het adres op de brief niet klopte, is niet als zodanig gedrag te beschouwen. Andere concrete feiten die tot de kwalificatie ‘agressief en intimiderend gedrag’ aanleiding zouden kunnen geven, zijn in het rapport niet vermeld. Het rapport voldoet dan ook niet aan de onder 4.5.1 vermelde eis en kan dus geen grondslag vormen voor de aan appellant opgelegde maatregel.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat het college met het rapport niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellant zich agressief en intimiderend heeft gedragen tijdens het gesprek met de handhavingsmedewerkers. Ook anderszins heeft het college dat niet aannemelijk gemaakt. Niet in geschil is dat de enkele in de telefoonnotitie bedoelde gedraging geen toereikende grondslag is voor het standpunt van het college dat appellant zich zeer ernstig heeft misdragen.

4.7.

Uit 4.6 volgt dat niet een toereikende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het college dat appellant de verplichting als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de PW niet is nagekomen. Dit betekent dat het college de bijstand van appellant ten onrechte voor de duur van één maand met 100% heeft verlaagd. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

4.8.

Wat onder 4.7 is overwogen betekent dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit, voor zover daarbij de bijstand van appellant bij wijze van maatregel is verlaagd, wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.050,- in beroep en € 1.050,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 27 juli 2016 voor zover daarbij de bijstand van appellant bij wijze van maatregel over de maand januari 2016 met 100% is verlaagd;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.100,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk als voorzitter en W.F. Claessens en
E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van T. Ali als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2020.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) T. Ali