Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:295

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-02-2020
Datum publicatie
17-02-2020
Zaaknummer
19/2587 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Stopzetting betalingen op grond van de Wuv wegens detentie. Gezien de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 37, eerste lid, van de Wuv kan appellant gedurende de periode van detentie niet in het genot worden gesteld van een uitkering op grond van de Wuv. Appellant heeft geen minderjarige kinderen en is niet getrouwd of heeft evenmin een relatie die daarmee kan worden gelijkgesteld. Om die reden is er geen aanleiding om artikel 37, tweede lid, van de Wuv toe te passen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2587 WUV, 19/2588 WUV

Datum uitspraak: 13 februari 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in de gedingen tussen

Partijen:

[appellant] , thans verblijvende te [plaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. El Mhassani, advocaat, beroep ingesteld tegen een tweetal besluiten van verweerder van 7 mei 2019, kenmerk BZ011259821 (bestreden besluit 1) onderscheidenlijk kenmerk BZ011261497 (bestreden besluit 2). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Appellant heeft nadere gronden ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. El Mhassani. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren in 1948, is met de vervolgde in de zin van de Wuv gelijkgesteld. In dat verband is aanvaard dat hij psychische klachten heeft die in verband staan met de vervolgingsgevolgen van zijn joodse ouders. Aan appellant zijn op grond van de Wuv een periodieke uitkering en voorzieningen toegekend.

1.2.

Naar aanleiding van een melding van “Aanvang detentie” per 20 september 2018 heeft verweerder op 10 oktober 2018 bij de Dienst Justitiële Inrichtingen onder meer informatie gevraagd over de duur van de detentie. Op de aldus verkregen detentieverklaring van 23 oktober 2018 is vermeld dat - zonder eventuele vervolgvonnissen - de einddatum van de detentie ligt op 1 juli 2020.

1.3.

Bij besluit van 25 oktober 2018 heeft verweerder de aan appellant toekomende betalingen op grond van de Wuv met terugwerkende kracht tot de maand oktober 2018 stopgezet. Het hiertegen gemaakte bewaar is bij bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Overwogen is dat gezien de duur van de detentie en gelet op het bepaalde in artikel 37 van de Wuv de toekenningen op grond van de Wuv op goede gronden zijn stopgezet.

1.4.

Als gevolg van het stopzetten van de toekenningen heeft verweerder bij besluit van 15 november 2018 en na bezwaar gehandhaafd bij bestreden besluit 2 een teveel betaald bedrag van € 2.279,15 van appellant teruggevorderd. Overwogen is dat de volledige informatie op grond waarvan de betaling is stopgezet pas op 24 oktober 2018 is ontvangen waardoor de periodieke uitkering en voorzieningen ten onrechte in de maand oktober zijn uitbetaald.

2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

2.1.

Op grond van artikel 37, eerste lid, van de Wuv mist de uitkeringsgerechtigde, die is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van drie maanden, tot plaatsing in een Rijkswerkinrichting, tot plaatsing in een tuchtschool voor drie maanden, of tot enige zwaardere straf, of op bevel van de rechter ter beschikking van de Regering is gesteld, over de tijd gedurende welke hij zijn straf ondergaat of van Regeringswege in zijn opvoeding wordt voorzien, of gedurende welke hij zich door de vlucht aan de tenuitvoerlegging van het vonnis onttrekt, het genot van uitkering. Op grond artikel 37, tweede lid, van de Wuv is verweerder bevoegd het uitkeringsbedrag over die tijd geheel of ten dele aan of ten behoeve van de echtgenoot of minderjarige kinderen van de uitkeringsgerechtigde te doen uitbetalen. In artikel 37, derde lid, van de Wuv is bepaald dat verweerder tevens bevoegd is om, voor zover van de bevoegdheid in het tweede lid bedoeld, geen gebruik is gemaakt, de uitkeringsgerechtigde, die al of niet voorwaardelijk uit de gevangenis, uit de Rijkswerkinrichting of uit de tuchtschool is ontslagen, of wiens opvoeding van Regeringswege is geëindigd, in het genot te stellen van een uitkering, ten bedrage van ten hoogste de helft van het niet uitgekeerde bedrag, tot een maximum van de helft van het jaarlijkse bedrag van de uitkering.

2.2.

Zoals uit de gedingstukken naar voren komt en ter zitting door appellant is bevestigd, heeft appellant gedurende de periode van 20 september 2018 tot 15 augustus 2019 in detentie verbleven. Sindsdien verblijft hij in een zogenoemd (half)open kamp te [plaats] . Gezien de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 37, eerste lid, van de Wuv kan appellant gedurende de periode van detentie niet in het genot worden gesteld van een uitkering op grond van de Wuv. Verweerder kan van deze dwingende bepaling niet afwijken. Dat appellant ondanks zijn detentie kosten blijft houden kan hierin geen verandering brengen. Hierbij wordt opgemerkt dat, anders dan appellant veronderstelt, de Wuv en de Wiedergutmachung twee verschillende uitkeringen zijn, waarbij de Wuv uitsluitend wordt gefinancierd uit Nederlandse belastinggelden. Van een Duitse betrokkenheid bij deze wet is geenszins sprake. Op grond van wettelijke bepalingen is verweerder als uitvoerder van de Wuv bij uitsluiting bevoegd te oordelen over aanspraken op grond van die wet. Daartoe behoort ook het (tijdelijk) stopzetten van de onderhavige uitkering.

2.3.

Appellant heeft betoogd dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 37, tweede en derde lid, van de Wuv. Dit betoog kan niet worden gevolgd. Appellant heeft geen minderjarige kinderen en is niet getrouwd of heeft evenmin een relatie die daarmee kan worden gelijkgesteld. Om die reden is er geen aanleiding om artikel 37, tweede lid, van de Wuv toe te passen. Om toepassing te kunnen geven aan artikel 37, derde lid, van de Wuv is vereist dat de betrokkene uit detentie is ontslagen. Zoals blijkt uit 2.2 was ten tijde hier van belang, van een ontslag uit detentie geen sprake.

2.4.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt al niet om de reden dat door appellant niet inzichtelijk is gemaakt op welke gelijke gevallen het beroep is gestoeld.

2.5.

Omdat pas in oktober 2018 voor verweerder duidelijk is geworden dat appellant vanwege zijn detentie geen aanspraak kan maken op de Wuv, mocht verweerder overgaan tot het terugvorderen van het over die maand ten onrechte uitbetaalde bedrag aan periodieke uitkering en voorzieningen. Dat de hoogte van het terug te vorderen bedrag niet juist zou zijn, is niet gebleken.

2.6.

Uit 2.2 tot en met 2.5 volgt dat de bestreden besluiten in rechte stand kunnen houden. De beroepen zullen ongegrond worden verklaard.

3. Voor een veroordeling in proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van F. Demiroğlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2020.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) F. Demiroğlu