Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2945

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-11-2020
Datum publicatie
27-11-2020
Zaaknummer
19/860 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, zoals ter zitting nader toegelicht, komt in de kern neer op een herhaling van de gronden die zij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden afdoende besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. De rechtbank heeft er daarbij terecht op gewezen dat de handelingen van een gemachtigde aan betrokkene zelf (appellante) moeten worden toegerekend. Dit is vaste rechtspraak. De door appellante gestelde feiten en omstandigheden maken niet dat daar in dit geval anders over moet worden geoordeeld. Het oordeel van de rechtbank dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, wordt daarom onderschreven. Hieruit volgt dat de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 860 WW

Datum uitspraak: 25 november 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

11 februari 2019, 18/5128 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 4 november 2020. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.M.J. Budel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Sinds 17 oktober 2016 ontving appellante een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 24 april 2017 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellante vanaf 1 februari 2017 beëindigd op de grond dat de inkomsten van appellante in de maanden februari 2017 en maart 2017 hoger zijn dan 87,5% van het maandloon. Bij besluit van 29 mei 2017 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellante over de maand februari 2017 herzien en een bedrag van € 471,86 van appellante teruggevorderd. Bij besluit van

31 mei 2017 heeft het Uwv dit bedrag bij appellante ingevorderd.

1.2.

De bezwaren van appellante tegen de besluiten van 24 april 2017, 29 mei 2017 en

31 mei 2017 zijn bij besluit van 5 oktober 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Bij digitaal beroepschrift van 14 september 2018 heeft appellante beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de termijn voor het indienen van het beroepschrift is overschreden en dat zij op grond van wat door appellante is aangevoerd tot de conclusie is gekomen dat deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Hiertoe heeft zij overwogen dat appellante als reden voor de termijnoverschrijding heeft aangevoerd dat zij haar rechtsbijstandsverzekeraar had ingeschakeld om haar belangen te behartigen en dat deze heeft nagelaten tijdig een beroepschrift in te dienen. De rechtbank heeft erop gewezen dat in het dossier een brief van SRK Rechtsbijstand van 8 december 2017 zit, waarin staat dat de toenmalig gemachtigde van appellante met appellante heeft afgesproken om niet in beroep te gaan tegen het bestreden besluit. Dat appellante ter zitting heeft gezegd dat ze het hiermee niet eens was en dat zij er vanuit ging dat een door haar ingeschakelde gemachtigde tijdig beroep zou instellen en dat dat niet is gebeurd, komt volgens de rechtbank voor rekening en risico van appellante. De handelingen van de gemachtigde moeten volgens de rechtbank aan appellante worden toegerekend.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat zij het er niet mee eens was dat haar gemachtigde van SRK Rechtsbijstand geen beroep tegen het bestreden besluit heeft ingesteld. Appellante heeft onder meer toegelicht dat zij in de periode direct na het bestreden besluit emotioneel uit balans was ten gevolge van een operatie die zij in april 2017 had ondergaan. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat zij het niet kon opbrengen om een dossier in te kijken en binnen de beroepstermijn een kort beroepschrift op te stellen. Verder heeft appellante gesteld dat zij zich pas na de afwijzing van een aanvraag voor een uitkering op grond van de Ziektewet het belang van het instellen van beroep tegen het bestreden besluit realiseerde.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Voor de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen wordt verwezen naar de weergave daarvan in de aangevallen uitspraak.

4.2.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, zoals ter zitting nader toegelicht, komt in de kern neer op een herhaling van de gronden die zij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden afdoende besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. De rechtbank heeft onder verwijzing naar de brief van SRK Rechtsbijstand met juistheid overwogen dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, omdat de omstandigheid dat appellante het er niet mee eens was dat haar (toenmalige) gemachtigde geen beroep tegen het bestreden besluit zou instellen en dat zij ervan uitging dat haar gemachtigde tijdig beroep zou instellen en dat dat niet is gebeurd, voor rekening en risico van appellante komt. De rechtbank heeft er daarbij terecht op gewezen dat de handelingen van een gemachtigde aan betrokkene zelf (appellante) moeten worden toegerekend. Dit is vaste rechtspraak. De door appellante gestelde feiten en omstandigheden maken niet dat daar in dit geval anders over moet worden geoordeeld. Het oordeel van de rechtbank dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, wordt daarom onderschreven.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van A.M.M. Chevalier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2020.

(getekend) S. Wijna

(getekend) A.M.M. Chevalier