Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2929

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-11-2020
Datum publicatie
26-11-2020
Zaaknummer
18/450 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging WIA-uitkering. Het medisch onderzoek is, gezien de verrichte onderzoeksactiviteiten, zorgvuldig geweest. Niet is gebleken dat de beperkingen van appellant zijn onderschat. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in een rapport van 14 januari 2020 nog een uitvoerige en deugdelijk gemotiveerde toelichting over de geschiktheid van de functies gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 450 WIA

Datum uitspraak: 25 november 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 december 2017, 17/4182 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Z. Yeral, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2020. Namens appellant is verschenen mr. Yeral. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M.C. Basting‑Vangangelt.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als banketbakker voor 38,16 uur per week bij [naam B.V.] B.V. (werkgeefster). Op 29 augustus 2012 heeft hij zich ziek gemeld in verband met alcoholverslavingsproblematiek en psychische klachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellant met ingang van 27 augustus 2014 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 44,93%. Appellant is bij werkgeefster hervat in de functie van productiemedewerker voor twintig uur per week. Op 1 februari 2016 heeft appellant zich voor dit werk ziek gemeld in verband met klachten aan het linkerbeen en is aan hem een uitkering op grond van de Ziektewet toegekend. De loongerelateerde WGA-uitkering is op 27 september 2016 geëindigd. Vanaf deze datum is aan appellant een loonaanvullingsuitkering toegekend.

1.2.

In het kader van een herbeoordeling in het kader van de WIA heeft appellant op 8 juni 2016 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft na een lichamelijk en psychisch onderzoek appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 20 juli 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens drie functies geselecteerd en op basis van de lonen van deze functies berekend dat appellant nog 48,38% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. Bij besluit van 22 september 2016 heeft het Uwv bepaald dat appellant vanaf 1 februari 2016 minder arbeidsgeschikt is dan voorheen, maar dat de hoogte van de WIA-uitkering ongewijzigd blijft.

1.3.

Werkgeefster heeft tegen het besluit van 22 september 2016 bezwaar gemaakt. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig heronderzoek is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op 20,39%. Bij besluit van 26 april 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv de WIA-uitkering van appellant met ingang van 27 juni 2017 beëindigd. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 10 februari 2017 en 13 april 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, een gewijzigde FML van 10 februari 2017 en rapporten van 8 maart 2017 en 24 april 2017 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Anders dan appellant heeft gesteld blijkt uit de medische stukken noch uit de toelichting van appellant dat sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden in de zin van artikel 2, vijfde lid, onder c, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten in die zin dat hij afhankelijk is bij Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen. Dat appellant wordt geholpen bij onder meer het huishouden en de boodschappen is daarvoor onvoldoende. De in beroep overgelegde informatie geeft hiervoor geen aanknopingspunten. De rechtbank heeft geoordeeld dat terecht een FML is opgesteld en is voor de verdere beoordeling uitgegaan van de belastbaarheid die is neergelegd in de FML van 10 februari 2017. Volgens de rechtbank wordt de belastbaarheid van appellant in de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geduide functies niet overschreden. Hoewel appellant ondanks het aannemen van meer beperkingen toch minder arbeidsongeschikt wordt geacht en de herbeoordeling voor appellant negatief is uitgevallen, kan volgens de rechtbank niet worden gezegd dat de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling op onjuiste wijze heeft plaatsgevonden. Het Uwv heeft terecht de WIA-uitkering beëindigd per 27 juni 2017.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep zijn gronden van beroep herhaald. Op de zitting is namens appellant aangevoerd dat appellant per 1 november 2017 volledig arbeidsongeschikt wordt geacht en dat daaruit blijkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische situatie van appellant op de datum in geding in deze zaak niet juist heeft ingeschat.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek, gezien de verrichte onderzoeksactiviteiten, zorgvuldig is geweest en dat er geen aanknopingspunten zijn dat appellant volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht, wordt onderschreven. Hieraan wordt nog toegevoegd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 7 januari 2020 naar aanleiding van de door appellant in bezwaar en beroep ingebrachte medische stukken terecht heeft opgemerkt dat deze informatie geen nieuwe gezichtspunten oplevert, omdat alle daarin genoemde diagnoses en behandelplannen reeds bekend waren. Daarbij komt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep reeds in bezwaar de medische informatie van de psycholoog van de GGZ en de neuroloog bij zijn heroverweging heeft betrokken en de FML op enkele punten heeft aangescherpt. Niet is gebleken dat de beperkingen van appellant zijn onderschat. In hoger beroep zijn geen nadere medische stukken ingediend.

4.2.

Hoewel is gebleken dat appellant reeds op de datum in geding het medicijn Naltrexon gebruikte, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 13 april 2017 opgemerkt dat bijwerkingen van dit medicijn vooral worden verwacht in de eerste week na aanvang van het gebruik en dat daarna gewenning optreedt en de bijwerkingen naar de achtergrond verdwijnen. Nu appellant dit medicijn reeds vanaf oktober 2016 gebruikte, kan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierover worden gevolgd.

4.3.

De omstandigheid dat aan appellant met ingang van 1 november 2017 een

WIA-uitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%, is toegekend, leidt niet tot een ander oordeel. Uit de onderliggende medische rapporten blijkt dat appellant per 1 november 2017 in verband met zijn psychische klachten onder behandeling is van het FACT-team van de GGZ en dat hij begin 2018 vanwege ernstige fysieke klachten in het ziekenhuis was opgenomen. In de medische stukken zijn geen aanknopingspunten te vinden dat op de datum in geding reeds sprake was van een dergelijke ernstige medische situatie.

4.4.

Ook het oordeel van de rechtbank dat appellant in staat moet worden geacht de geselecteerde functies te verrichten wordt onderschreven. In hoger beroep heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in een rapport van 14 januari 2020 nog een uitvoerige en deugdelijk gemotiveerde toelichting over de geschiktheid van de functies gegeven. Appellant heeft deze toelichting niet bestreden. De Raad ziet dan ook geen aanleiding deze toelichting niet te volgen.

4.5.

Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van A.M.M. Chevalier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2020.

(getekend) M.E. Fortuin

(getekend) A.M.M. Chevalier