Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2923

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-11-2020
Datum publicatie
30-11-2020
Zaaknummer
19/5093 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het college op grond van artikel 43, derde lid, van de PW het recht op bijstand ambtshalve had moeten vaststellen. Dat artikellid is bedoeld om in een situatie dat één van de echtgenoten niet met de aanvraag instemt, de bijstandsverlening alsnog tot stand te kunnen brengen. Als één van de echtgenoten niet aan de aanvraag wil meewerken, kan de aanvraag niet tot stand komen, in welk geval het college zich, indien het recht op bijstand niet ambtshalve wordt vastgesteld, genoodzaakt zou kunnen zien de aanvraag buiten behandeling te stellen. In dit geval heeft het college de aanvraag wel in behandeling genomen en deze vervolgens afgewezen omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Dat is een inhoudelijk oordeel, zodat artikel 43, derde lid, van de PW niet van toepassing is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/565
NJB 2020/3070
RSV 2021/23
USZ 2021/12
JWWB 2021/16
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 5093 PW, 20/2590 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 17 november 2020

Uitspraak op het hoger beroep tegen de tussenuitspraak van 24 oktober 2019, 18/2302, van de rechtbank Oost-Brabant (aangevallen tussenuitspraak) en de uitspraak van 21 november 2019, 18/2302 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch (college)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Het college heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Namens betrokkene heeft mr. Y.E Verkouter een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2020. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. van Berkel. Betrokkene is verschenen bijgestaan door [naam] en mr. R.P. van Empel-Bouman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene en haar echtgenoot hebben vijf inwonende kinderen. Tot 1 augustus 2017 ontvingen betrokkene en haar echtgenoot bijstand naar de norm voor gehuwden laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). De bijstand is per die datum beëindigd, omdat betrokkene en haar echtgenoot niet zijn verschenen op oproepen van het college.

1.2.

Betrokkene heeft zich op 9 februari 2018 gemeld om opnieuw bijstand aan te vragen naar de norm voor gehuwden. De aanvraag is op 2 maart 2018 ingediend. Betrokkene heeft bij de aanvraag het college verzocht het recht op bijstand op grond van artikel 43, derde lid, van de PW ambtshalve vast te stellen, omdat haar echtgenoot niet wil meewerken aan het indienen van de aanvraag en toepassing te geven aan het individualiseringsbeginsel van artikel 18, eerste lid, van de PW.

1.3.

Bij brief van 22 februari 2018 heeft het college aan betrokkene en haar echtgenoot gevraagd ook een door de echtgenoot ondertekend aanvraagformulier in te leveren. Ook heeft het college verzocht om, indien de echtgenoot in behandeling is bij de GGZ, daarvan bewijs over te leggen.

1.4.

Bij brief van 12 maart 2018 heeft het college aan betrokkene en haar echtgenoot meegedeeld dat zij niet alle gevraagde informatie, waaronder een ingevuld en ondertekend aanvraagformulier van de echtgenoot en diens bankafschriften, hebben overgelegd. Het college heeft hen tot 20 maart 2018 de tijd gegeven om de ontbrekende informatie in te leveren.

1.5.

Bij brief van 20 maart 2018 heeft het college aan betrokkene en haar echtgenoot meegedeeld dat de gevraagde gegevens niet waren ingeleverd en hen uitgenodigd voor een gesprek op 26 maart 2018.

1.6.

Op het gesprek van 26 maart 2018 is alleen betrokkene verschenen. Zij heeft daarbij verklaard dat haar echtgenoot niet mee wil komen, omdat hij niets met het college te maken wil hebben vanwege negatieve ervaringen uit het verleden. Volgens de verklaring van betrokkene weigert haar echtgenoot mee te werken aan het indienen van een aanvraag en is hij daartoe ook psychisch niet in staat. Ter onderbouwing daarvan heeft betrokkene een brief, afkomstig van de huisartsenpraktijk van 19 februari 2018, waarin staat dat de echtgenoot psychische klachten heeft en niet in staat is om een uitkering aan te vragen, en een brief van een maatschappelijk werker van Juvans van 23 februari 2018 overgelegd.

1.7.

Bij besluit van 27 maart 2018, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 augustus 2018 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat het recht op bijstand naar de norm voor gehuwden niet kan worden vastgesteld, omdat daarvoor onvoldoende gegevens zijn verstrekt. De echtgenoot heeft geen aanvraagformulier ingevuld en bankafschriften van onder andere de echtgenoot ontbreken. Artikel 43, derde lid, van de PW is niet van toepassing, omdat geen sprake is van een expliciete weigering van de echtgenoot. De brieven van de huisarts en maatschappelijk werk zijn onvoldoende om vast te stellen dat de echtgenoot niet aan zijn verplichtingen op grond van de PW kan voldoen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene, onder verwijzing naar de overwegingen in de tussenuitspraak, gegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, geoordeeld dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 43, derde lid, van de PW. Uit de stukken blijkt dat de echtgenoot tegenover betrokkene duidelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij niet wil meewerken aan de aanvraag. Niet vereist is dat de echtgenoot de weigering tegenover het college herhaalt en ook niet dat het onderliggende motief voor de weigering bekend wordt gemaakt. Voldoende is dat het college kan vaststellen dat de echtgenoot weigert mee te werken aan de aanvraag. Ter zitting bij de voorzieningenrechter van de rechtbank op 29 oktober 2018 heeft de gemachtigde van het college meerdere malen verklaard dat de financiële situatie van het gezin helder is en dat de aanvraag zou zijn toegekend als die ook door de echtgenoot zou zijn ondertekend. Gelet op die verklaring en de stelling van betrokkene dat de echtgenoot niet over een bankrekening beschikt, heeft het college de stelling dat het recht niet kan worden vastgesteld onvoldoende onderbouwd. De rechtbank heeft het college bij de einduitspraak opgedragen het recht op bijstand ambtshalve te beoordelen.

3. Het college heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Het college heeft aangevoerd dat de rechtbank een te ruime invulling heeft gegeven aan artikel 43, derde lid, van de PW. Volgens het college is, gelet op de wetgeschiedenis en de betekenis van het woord ‘instemmen’, vereist dat de echtgenoot uitdrukkelijk aan het college met opgaaf van reden kenbaar maakt dat hij niet instemt met de aanvraag.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 43, eerste lid, van de PW stelt het college het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag, of indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, ambtshalve vast.
Op grond van artikel 43, tweede lid, van de PW wordt de bijstand door de echtgenoten gezamenlijk aangevraagd dan wel door een van hen met schriftelijke toestemming van de ander. Op grond van artikel 43, derde lid, van de PW stelt het college het recht op bijstand ambtshalve vast indien een van de echtgenoten niet met de aanvraag instemt, doch bijstandsverlening, gezien de belangen van de overige gezinsleden, niettemin geboden is.

4.2.

Artikel 43, derde lid, van de PW is blijkens de wetsgeschiedenis bedoeld om in een situatie dat één van de echtgenoten niet met de aanvraag instemt, de bijstandsverlening alsnog tot stand te kunnen brengen. In die wetsgeschiedenis (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010/11, 32 815, nr. 7, p. 21 en 22) is onder meer het volgende opgenomen:

“Als iemand niet wil meewerken aan de aanvraag van een bijstandsuitkering, kan de aanvraag niet tot stand komen. Een bijstandsuitkering moet door alle meerderjarige gezinsleden worden aangevraagd, omdat het recht op en hoogte van de gezinsbijstand afhankelijk is van de omstandigheden van alle gezinsleden. Als één van de gezinsleden uitdrukkelijk weigert in te stemmen met de aanvraag om bijstand en daardoor het belang van de overige gezinsleden in het gedrang komt, kan het college in uitzonderingsgevallen het recht op bijstand ambtshalve vaststellen.”

4.3.

Uit de in 4.2 geciteerde passage blijkt dat, als één van de echtgenoten niet aan de aanvraag wil meewerken, de aanvraag niet tot stand kan komen. Het college zal zich in een dergelijk geval, indien het recht op bijstand niet ambtshalve wordt vastgesteld, genoodzaakt kunnen zien de aanvraag buiten behandeling te stellen. Dat heeft het college in dit geval echter niet gedaan. Uit de in 1.7 genoemde besluiten blijkt dat het college de aanvraag in behandeling heeft genomen en vervolgens heeft afgewezen omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Dat is een inhoudelijk oordeel. Kennelijk was voor het college duidelijk dat de aanvraag, ondanks het ontbreken van de handtekening van de echtgenoot, ten behoeve van beide echtgenoten werd gedaan en gericht was op bijstandsverlening naar de norm voor gehuwden. Van een situatie als bedoeld in 4.2, waarin een aanvraag om bijstandsverlening naar de norm voor gehuwden niet tot stand is gekomen omdat een van beiden daarmee niet instemt, kan gelet op deze inhoudelijke afwijzingen redelijkerwijs niet meer worden gesproken. Daarom kon het college betrokkene ook niet meer tegenwerpen dat de echtgenoot het aanvraagformulier niet had ondertekend.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat de Raad, anders dan de rechtbank, niet toekomt aan de beoordeling van de vraag of het college in dit geval toepassing had moeten geven aan artikel 43, derde lid, van de PW en het recht op bijstand ambtshalve had moeten vaststellen. De toepassing van artikel 43, derde lid, van de PW leidt tot een inhoudelijke beoordeling, maar die heeft in dit geval al plaatsgevonden. Dit betekent dat de beroepsgrond dat de rechtbank onjuiste toepassing heeft gegeven aan deze bepaling, slaagt. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit heeft tot gevolg dat de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen uitspraak niet in stand kunnen blijven, de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank daarbij het college in de gelegenheid heeft gesteld en opdracht heeft gegeven om met toepassing van artikel 43, derde lid, van de PW ambtshalve het recht op bijstand te beoordelen. In zoverre komen die uitspraken voor vernietiging in aanmerking. Aansluitend moet worden bezien waar dit oordeel toe leidt.

4.5.

Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, stelt de Raad vast dat de gemachtigde van het college ter zitting desgevraagd heeft geantwoord dat er in hoger beroep – als het aankomt op een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag – niet langer een beletsel bestaat voor toekenning van bijstand naar de norm voor gehuwden. In beroep is duidelijk geworden dat de echtgenoot niet over een bankrekening beschikt. Dit betekent dat de vernietiging van het bestreden besluit in stand kan blijven, zij het op andere gronden dan de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd. Nu is immers duidelijk geworden dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet berust op een deugdelijke motivering. Doende wat de rechtbank vervolgens zou behoren te doen, zal de Raad in het kader van een finale beslechting van het geschil zelf in de zaak voorzien en betrokkene en haar echtgenoot bijstand toekennen naar de norm voor gehuwden met ingang van 9 februari 2018.

5. Aanleiding bestaat voorts om het college te veroordelen in de proceskosten van betrokkene en haar echtgenoot. Deze kosten worden begroot op € 1.050,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Van het college wordt op grond van artikel 8:109, tweede lid, van de Awb griffierecht geheven ten bedrage van € 519,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraken, de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank het college daarbij heeft opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van betrokkene met inachtneming van de aangevallen uitspraken;

  • -

    kent betrokkene en haar echtgenoot met ingang van 9 februari 2018 bijstand toe naar de norm van gehuwden en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 27 augustus 2018;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.050,-;

  • -

    bepaalt dat van het college een griffierecht van € 519,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en E.C.G. Okhuizen en M. van Paridon als leden, in tegenwoordigheid van Y. Al-Qaq als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2020.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) Y. Al-Qaq