Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2919

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-11-2020
Datum publicatie
26-11-2020
Zaaknummer
20/3475 WIA-VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toewijzing verzoek om voorlopige voorziening. Spoedeisend belang. De voorzieningenrechter heeft als voorlopig oordeel dat de door de rechtbank geraadpleegde psychiater, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, wel degelijk (aanzienlijk) meer beperkingen van toepassing geacht dan de verzekeringsartsen van het Uwv. Gelet op het besprokene ter zitting zal de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen, inhoudende dat het Uwv aan verzoeker eenmalig een voorschot op de WIA-uitkering van € 8.000,- netto betaalt. Ter voorlichting aan verzoeker merkt de voorzieningenrechter hierbij op dat het Uwv dit bedrag zal kunnen terugvorderen als verzoeker geen recht blijkt te hebben op een WIA-uitkering, bijvoorbeeld ingeval in hoger beroep de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2021/3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20/3475 WIA-VV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 23 november 2020

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. W.A. Timmer, advocaat, hoger beroep ingesteld (bij de Raad geregistreerd onder nummer 20/3381 WIA) en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2020. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. Timmer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Puister.

OVERWEGINGEN

1. Verzoeker is laatstelijk werkzaam geweest als leerling pechhulpmonteur voor 40 uur per week. Op 1 juni 2017 heeft verzoeker zich ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft verzoeker het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat verzoeker belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 maart 2019. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat verzoeker niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Bij besluit van 5 juni 2019 heeft het Uwv geweigerd aan verzoeker met ingang van 30 mei 2019 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van verzoeker tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 17 maart 2020 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van
2 februari 2020 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 16 maart 2020 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2.1.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Ter onderbouwing van zijn betoog dat hij meer beperkt is dan het Uwv heeft aangenomen, heeft verzoeker (onder meer) een expertiserapport ingebracht van psychiater M. Kazemier van 1 mei 2020.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (rechtbank) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen afgewezen. Hiertoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht en er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel. De rechtbank heeft hiertoe vastgesteld dat psychiater Kazemier in zijn rapport weliswaar een andere diagnose (ASS niveau 1) stelt dan de verzekeringsartsen, maar dat de door deze psychiater vastgestelde beperkingen niet wezenlijk verschillen van de door de verzekeringsartsen in de rubrieken 1 en 2 van de FML aangenomen beperkingen.

3.1.

Verzoeker heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat hij ten gevolge van zijn psychische en lichamelijke klachten meer of verdergaand beperkt is dan het Uwv heeft aangenomen. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst verzoeker opnieuw naar het in beroep ingebrachte rapport van psychiater Kazemier. Mede gelet op de onjuistheid van de FML acht verzoeker de geduide functies ongeschikt.

3.2.

Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat aan verzoeker een voorschot op een WIA-uitkering wordt toegekend. Als spoedeisend belang heeft verzoeker onder meer naar voren gebracht dat als gevolg van de forse betalingsachterstand bij [naam woningbeheerder] en Eneco een woningontruiming en afsluiting van gas en licht dreigen. Gezien het inkomen van zijn echtgenote, heeft verzoeker geen recht op een bijstandsuitkering. [naam woningbeheerder] heeft op 14 oktober 2020 een dagvaarding uitgebracht en daarin ontbinding van de bestaande huurovereenkomst en ontruiming van de woning binnen acht dagen gevorderd. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoeker hieraan toegevoegd dat [naam woningbeheerder] – in afwachting van de onderhavige procedure – een uitstel van tien dagen heeft verleend.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Bezien moet worden of op grond van een afweging van de wederzijds in aanmerking komende belangen al dan niet een voorlopige voorziening moet worden getroffen. Daarbij komt ook in beeld de vraag of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in die procedure.

4.3.1.

Uit wat door verzoeker inzake zijn financiële situatie naar voren is gebracht, is aannemelijk geworden dat hij er spoedeisend belang bij heeft dat een voorlopige voorziening wordt getroffen. Daarmee komt de vraag aan de orde of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. De beantwoording van die vraag vergt een onderzoek en een afweging die pas in de bodemprocedure ten volle kunnen geschieden. In het kader van dit verzoek komt de voorzieningenrechter tot de volgende afweging.

4.3.2.

De rechtbank heeft geoordeeld dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van de FML en hiertoe vastgesteld dat de door psychiater Kazemier in zijn rapport van 1 mei 2020 genoemde en voor verzoeker geldende beperkingen, niet wezenlijk verschillen van de in de FML aangenomen beperkingen. Vooralsnog wordt de rechtbank hier niet in gevolgd. Blijkens zijn rapport acht Kazemier verzoeker (onder meer) beperkt op de items 1.1 tot en met 1.6, 2.6 tot en met 2.9 en 2.12.1 en 2.12.3. Kazemier noemt deze nummers weliswaar niet, maar gebruikt bij het omschrijven van de beperkingen bewoordingen die identiek zijn aan de terminologie van de FML bij deze items. Uitgaande van die bewoordingen heeft Kazemier, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, wel degelijk (aanzienlijk) meer beperkingen van toepassing geacht dan de verzekeringsartsen van het Uwv. Daarbij komt dan nog dat, zoals door het Uwv ter zitting van de voorzieningenrechter is erkend, de reacties van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 augustus 2020 en, aanvullend, van 7 september 2020 op het rapport van Kazemier en op de in dat rapport opgenomen aanvullende diagnose, bepaald summier zijn te noemen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bevatten deze reacties geen toereikende onderbouwing van het daarin ingenomen standpunt dat genoemd rapport niet kan worden onderschreven. Deze twee omstandigheden, in hun onderlinge samenhang bezien, roepen naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter een dusdanige mate van twijfel op wat betreft de waarschijnlijkheid van het in hoger beroep in stand blijven van de aangevallen uitspraak, dat er aanleiding is de gevraagde voorziening te treffen.

5. Gelet op het besprokene ter zitting zal de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen, inhoudende dat het Uwv aan verzoeker eenmalig een voorschot op de WIA-uitkering van € 8.000,- netto betaalt. Ter voorlichting aan verzoeker merkt de voorzieningenrechter hierbij op dat het Uwv dit bedrag zal kunnen terugvorderen als verzoeker geen recht blijkt te hebben op een WIA-uitkering, bijvoorbeeld ingeval in hoger beroep de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

6. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van verzoeker. Deze kosten worden begroot op € 1.050,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

- bepaalt dat het Uwv aan verzoeker een voorschot van € 8.000,- netto betaalt;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.050,- ;

- bepaalt dat het Uwv aan verzoeker het in de voorlopige voorzieningsprocedure betaalde griffierecht van € 131,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend in tegenwoordigheid van B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 november 2020.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) B.V.K. de Louw