Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2914

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-11-2020
Datum publicatie
25-11-2020
Zaaknummer
18/62 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met de rechtbank wordt vastgesteld dat niet is gebleken dat appellante ten tijde van haar bekortingsverzoek de tekortkomingen inzake haar re-integratie-inspanningen had hersteld, zodat het Uwv het bekortingsverzoek terecht heeft afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 62 WIA, 18/106 WIA

Datum uitspraak: 24 november 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

24 november 2017, 17/1497 en 17/2862 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] B.V. te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. X. Evers hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2020. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Evers, bijgestaan door mr. drs. D.W.M. Weesie, [naam 1] en [naam 2]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.

OVERWEGINGEN

1.1.

[werknemer] (werknemer) is bij appellante werkzaam geweest als medewerker productie voor 40 uur per week. Op 2 oktober 2014 is hij voor dat werk uitgevallen vanwege een neurologische aandoening in zijn handen die operatief behandeld moest worden. In de Eerstejaarsevaluatie van 1 oktober 2015 is vermeld dat werknemer tot 25 juni 2015 drie dagen in de week één à twee uur heeft gewerkt, daarna is het ziektebeeld verslechterd en is werknemer niet in staat geweest om te werken. Op 14 december 2015 heeft ArboNed een arbeidskundig onderzoek gedaan. De arbeidsdeskundige is tot de conclusie gekomen dat de werknemer niet geschikt is voor het eigen werk bij appellante, dat het eigen werk voor werknemer niet passend gemaakt kan worden, dat werknemer niet geschikt is voor ander werk bij appellante en dat werknemer niet geschikt is voor passend werk op de arbeidsmarkt. Werknemer heeft op 18 januari 2016 het Uwv om een deskundigenoordeel verzocht. Bij brief van 26 februari 2016 heeft het Uwv, in navolging van de bevindingen van een arbeidsdeskundige, werknemer laten weten dat hij voldoende meewerkt aan zijn re-integratie.

1.2.

Werknemer heeft op 6 juli 2016 een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) gedaan. Naar aanleiding van die aanvraag heeft het Uwv bij besluit van 8 september 2016 het tijdvak waarin werknemer jegens appellante recht heeft op loon tijdens ziekte verlengd met 52 weken tot 28 september 2017. Die verlenging, ook wel loonsanctie genoemd, is appellante opgelegd, omdat haar bedrijfsarts zonder goede argumenten bij werknemer zeer forse medische beperkingen heeft aangenomen waardoor te verwachten is dat re-integratiekansen zijn gemist. Aan het besluit van 8 september 2016 zijn rapporten van een verzekeringsarts van 26 augustus 2016 en 6 september 2016 ten grondslag gelegd alsmede een rapport van een arbeidsdeskundige van eveneens 6 september 2016. Appellante heeft tegen het besluit van 8 september 2016 bezwaar gemaakt en nagenoeg tegelijkertijd een bekortingsverzoek ingediend.

1.3.

Bij besluit van 13 maart 2017 (bestreden besluit 1) is het bezwaar tegen het besluit van 8 september 2016 ongegrond verklaard. Daaraan zijn rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 januari 2017 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 6 maart 2017 ten grondslag gelegd. In navolging van de bevindingen in het arbeidskundig rapport van 13 oktober 2016, heeft het Uwv bij besluit van 14 oktober 2016 het bekortingsverzoek van appellante afgewezen. Het daartegen door appellante gemaakte bezwaar is bij besluit van eveneens 13 maart 2017 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. Daaraan is een rapport van een arbeidsdeskundige van 6 maart 2017 ten grondslag gelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante steeds is afgegaan op de adviezen van de bedrijfsarts, terwijl niet is gebleken dat deze arts enige medische onderbouwing heeft gegeven voor de gestelde forse beperkingen van werknemer. Voorts ontbreekt in het dossier een onderbouwing waarom werknemer in ieder geval op het moment van de WIA-aanvraag niet voor arbeid belastbaar was en is niet gebleken dat de bedrijfsarts werknemer zelf heeft onderzocht of dat zij informatie van de behandelend sector bij haar onderzoek heeft betrokken. Volgens de rechtbank hebben de verzekeringsartsen van het Uwv naast het eigen onderzoek ook informatie van de behandelend sector bij hun onderzoek betrokken, waardoor geen aanleiding wordt gezien om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsartsen. Ook heeft de rechtbank het oordeel van het Uwv onderschreven dat appellante haar tekortkomingen niet heeft hersteld en dat daarom het bekortingsverzoek terecht is afgewezen.

3.1.

Met verwijzing naar het rapport van arts-gemachtigde Weesie van 29 oktober 2016 heeft appellante in hoger beroep herhaald dat werknemer geen benutbare mogelijkheden had en dat het Uwv er nog steeds niet in is geslaagd om aan te tonen welke re-integratiekansen er zijn gemist. De werknemer is wel medisch onderzocht door de bedrijfsarts, ook heeft de bedrijfsarts medische informatie opgevraagd en ontvangen van de behandelaars. Volgens appellante is het besluit waarbij haar een loonsanctie is opgelegd onzorgvuldig tot stand gekomen, is het niet deugdelijk gemotiveerd en is met de toekenning van een WIA-uitkering aan werknemer het bewijs geleverd dat werknemer geen benutbare mogelijkheden had om te re-integreren. Tevens is de Raad verzocht om een deskundige te benoemen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Voor het toepasselijke wettelijke kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

4.2.

Niet in geschil is dat werknemer bij de beoordeling van de re-integratie-inspanningen niet in arbeid had hervat. Het Uwv heeft dan ook terecht aangenomen dat in dit geval geen sprake is van een bevredigend resultaat als bedoeld in de Beleidsregels. Dit brengt mee dat het Uwv kon toekomen aan een beoordeling van de re-integratie-inspanningen.

4.3.

Het standpunt van het Uwv dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, is gebaseerd op de conclusies in de rapporten van de verzekeringsarts van 26 augustus 2016 en 6 september 2016 en van de arbeidsdeskundige van 6 september 2016, alsmede op de in de bezwaarfase uitgebrachte rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 januari 2017 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 6 maart 2017. De primaire verzekeringsarts heeft naar aanleiding van de toetsing van het re-integratieverslag en na eigen onderzoek en informatie van de bedrijfsarts en de behandelend sector, in zijn rapport vermeld zich niet te kunnen vinden in de door de bedrijfsarts aangegeven beperkingen, omdat deze niet afdoende zijn onderbouwd met medische gegevens waardoor evenmin duidelijk is of er mogelijkheden zijn (geweest) voor interventies ter verbetering van de belastbaarheid. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige vastgesteld dat nu niet aannemelijk is gemaakt dat werknemer zulke forse beperkingen ondervindt als waarvan de bedrijfsarts is uitgegaan, er ook geen goede onderbouwing is voor het feit dat er vanaf januari geen re‑integratieactiviteiten richting arbeid meer zijn ondernomen. De arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat het medische beleid niet adequaat is geweest. Deze tekortkoming kan worden hersteld door alsnog aannemelijk te maken dat sprake is van forse medische beperkingen waardoor er geen benutbare mogelijkheden bij werknemer aanwezig zijn, of op basis van een nieuw LAB de arbeidsmogelijkheden van werknemer opnieuw te onderzoeken zodat dit uitmondt in een bevredigend re-integratieresultaat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is, na kennisneming van de bezwaren, dossierstudie, het bijwonen van de hoorzitting en informatie van de behandelend sector, tot de conclusie gekomen dat de medische onderbouwing door de primaire verzekeringsarts kan worden gehandhaafd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft na heroverweging geen aanleiding gevonden om tot een andere conclusie dan die van de arbeidsdeskundige te komen.

4.4.

De stukken bieden voldoende steun voor het standpunt van het Uwv dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. De primaire verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 26 augustus 2016, aangevuld op 9 september 2016, inzichtelijk en afdoende gemotiveerd dat voor een zo sterk belemmerende beperking als de bedrijfsarts heeft aangenomen, geen rechtvaardiging bestaat. Weliswaar zijn beperkingen aanwezig voor middelzwaar/zwaar handbelastend werk en veel lopen en staan, maar de verzekeringsarts heeft voldoende onderbouwd dat er geen reden is om een duurbeperking te stellen of werknemer ongeschikt te beschouwen voor alle vormen van licht werk. In de gegevens van de bedrijfsarts wordt een opsomming gegeven van de verschillende klachten en aandoeningen van de werknemer en het verloop van de ongeschiktheid tot werken. Een deugdelijke medische onderbouwing van de gestelde niet benutbare mogelijkheden heeft de bedrijfsarts daarvoor niet gegeven, ook niet in het telefonische onderhoud dat de verzekeringsarts met haar heeft gehad. Voor het inschakelen van een onafhankelijke medisch deskundige zoals appellante heeft verzocht, daargelaten of zo een onderzoek in dit geval überhaupt mogelijk is, bestaat geen reden.

4.5.

Uitgaande van de onjuistheid van de door de bedrijfsarts gestelde medische beperkingen, is door de arbeidsdeskundigen van het Uwv terecht geconcludeerd dat ten onrechte re‑integratieactiviteiten achterwege zijn gelaten, nu werknemer wel over benutbare mogelijkheden beschikte. Dat de door appellante ingeschakelde arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat werknemer niet in staat kon worden geacht deel te nemen aan het reguliere arbeidsproces, doet aan dit oordeel niet af. Die arbeidsdeskundige is immers uitgegaan van de onjuist gebleken LAB van 9 oktober 2015.

4.6.

De Raad ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat voor de tekortkomingen in de re-integratie een deugdelijke grond bestaat. Zoals de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld kan de mededeling van appellante dat zij bij de re-integratie-inspanningen is afgegaan op het advies van haar bedrijfsarts, niet zodanige grond opleveren. Uit de door de rechtbank vermelde rechtspraak blijkt dat de Raad eerder heeft geoordeeld dat het Uwv er terecht vanuit gaat dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie bij de werkgever ligt. Er is geen aanleiding om daar nu anders over te oordelen.

4.7.

De opvatting van appellante dat uit de toekenning van een WIA-uitkering aan werknemer moet worden afgeleid dat ten onrechte een loonsanctie is opgelegd, is niet juist. Volgens vaste rechtspraak (zie laatstelijk de uitspraak van de Raad van 23 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:163) kan uit de toekenning van een WIA-uitkering aan een werknemer geen conclusie worden getrokken ter beantwoording van de vraag of een werkgever aan zijn re-integratieverplichting heeft voldaan. De toekenning van een dergelijke uitkering heeft achteraf plaatsgevonden op basis van andere beoordelingsmaatstaven dan aan de orde zijn bij de beoordeling van de re-integratie-inspanningen van een werkgever.

4.8.

Met de rechtbank wordt vastgesteld dat niet is gebleken dat appellante ten tijde van haar bekortingsverzoek de tekortkomingen inzake haar re-integratie-inspanningen had hersteld, zodat het Uwv het bekortingsverzoek terecht heeft afgewezen.

5. Uit wat in 4.1 tot en met 4.8 is overwogen moet worden geconcludeerd dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet als voorzitter en J. Brand en T. Dompeling als leden, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2020.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) M. Graveland