Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:290

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-02-2020
Datum publicatie
17-02-2020
Zaaknummer
17/4651 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om AOW-pensioen omdat de aanvraag te vroeg is ingediend. Svb diende bij het bestreden besluit een volledige heroverweging te maken. Ten tijde van het bestreden besluit lag de datum van de pensioengerechte leeftijd binnen een periode van een half jaar, namelijk 1 april 2017. Nu verder niet is gebleken dat van appellante voor de toekenning per die datum het indienen van een nieuwe aanvraag is verlangd, acht de Raad het in strijd met de vereiste zorgvuldigheid dat niet bij het bestreden besluit over de toekenning per april 2017 is beslist. Appellante ontving geen inkomen en had geen vermogen voorafgaand aan haar 65ste verjaardag, door de opschuiving van de AOW-leeftijd is die situatie niet gewijzigd. Er is geen sprake van een onevenredig zware last.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/117
NJB 2020/599
USZ 2020/84
AB 2020/326 met annotatie van M. Wever
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/4651 AOW en 17/5977 AOW

Datum uitspraak: 13 februari 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 mei 2017, 17/240 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te Marokko (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere standpunten ingenomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2019. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. De Roy van Zuydewijn. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is geboren in 1951 en heeft altijd in Marokko gewoond. Haar in 2011 overleden echtgenoot heeft van 1968 tot 1985 in Nederland gewerkt. Op 20 mei 2016 heeft de Svb de aanvraag van appellante ontvangen voor een AOW-pensioen. De Svb heeft die aanvraag bij besluit van 10 juni 2016 afgewezen.

1.2.

Bij besluit van 1 december 2016 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 juni 2016 ongegrond verklaard. Aan dat besluit is ten grondslag gelegd dat appellante de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt op 1 april 2017. Omdat de aanvraag meer dan een half jaar voor die datum is ingediend, heeft de Svb de aanvraag aangemerkt als te vroeg ingediend en om die reden afgewezen. Voor de toekomst heeft de Svb nog geen besluit genomen omdat de ruimte tussen het moment van aanvraag en het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd te groot was. Er kunnen wijzigingen ontstaan die het recht op AOW-pensioen kunnen beïnvloeden, zoals bijvoorbeeld een wijziging in de burgerlijke staat van de aanvrager of een wetswijziging. In de beslissing van 10 juni 2016 is daarom volgens de Svb terecht vastgesteld dat appellante nog geen AOW-pensioen kan krijgen.

1.3.

Bij besluit van 5 april 2017 heeft de Svb aan appellante met ingang van 1 april 2017 een AOW-pensioen toegekend ten bedrage van € 392,14 per maand. Aan dit besluit is

–uiteindelijk – ten grondslag gelegd dat het niet toekennen van een AOW-pensioen vanaf de leeftijd van 65 jaar, geen onevenredig zware last voor haar oplevert omdat zij niet in aanmerking komt voor een overbruggingsuitkering op grond van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW (OBR). De Svb meent verder dat appellante niet de gerechtvaardigde verwachting kon hebben dat zij vanaf de leeftijd van 65 jaar een AOW-pensioen zou ontvangen, omdat er geen concrete toezegging over de AOW-leeftijd is gedaan. Voorts is er geen sprake van leeftijdsdiscriminatie.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante haar pensioenaanvraag te vroeg heeft ingediend. Het besluit van 5 april 2017 kan niet worden aangemerkt als een wijziging van het bestreden besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat de Svb niet is teruggekomen van het besluit van 1 december 2016. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de pensioengerechtigde leeftijd die is genoemd in het besluit op bezwaar van 24 april 2008 betreffende een pensioenoverzicht, waarop appellante zich heeft beroepen, een mededeling van informatieve aard is en daarom in zoverre geen besluit is waartegen in rechte kan worden opgekomen. Voorts kan een bestuursorgaan niet de bevoegdheid worden ontzegd, bijvoorbeeld op grond van een wetswijziging of gewijzigd beleid, voor de toekomst terug te komen van een eerder ingezette en gevolgde gedragslijn. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet. Appellante heeft niet feitelijk onderbouwd dat in haar geval sprake is van een onevenredig zware last als gevolg van de verschuiving van de pensioenleeftijd. De verschuiving van de pensioenleeftijd is niet in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Eerste Protocol).

3. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Is het besluit van 5 april 2017 een wijzigingsbesluit?

4.1.1.

Partijen zijn onder meer verdeeld over de vraag of de aanvraag van appellante om een AOW-pensioen terecht is afgewezen, omdat die aanvraag te vroeg was ingediend.

4.1.2.

Appellante heeft gesteld dat haar aanvraag erop was gericht een AOW-pensioen te ontvangen. Dit heeft zij reeds in bezwaar verduidelijkt. Volgens appellante heeft zij verzocht om toekenning van AOW per datum dat dit mogelijk is. Zij ziet niet in waarom de toekenning die bij besluit van 5 april 2017 is gevolgd, niet bij het bestreden besluit heeft kunnen plaatsvinden. Appellante heeft verwezen naar andere gevallen waarin wel een AOW-pensioen is toegekend, terwijl de pensioengerechtigde leeftijd meer dan een half jaar later lag.

4.1.3.

De Svb heeft te kennen gegeven dat niet positief op een aanvraag kan worden beslist als deze meer dan een half jaar voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd wordt ontvangen. De reden daarvan is dat er nog wijzigingen kunnen optreden die het AOW-pensioen kunnen beïnvloeden.

4.1.4.

De Raad is van oordeel dat de Svb bij het bestreden besluit een volledige heroverweging diende te maken. Los van de vraag of het in 4.1.3 verwoorde uitgangspunt van de Svb in zijn algemeenheid juist is, lag ten tijde van het bestreden besluit de datum van de pensioengerechte leeftijd binnen een periode van een half jaar, namelijk 1 april 2017. Nu verder niet is gebleken dat van appellante voor de toekenning per die datum het indienen van een nieuwe aanvraag is verlangd, acht de Raad het in strijd met de vereiste zorgvuldigheid dat niet bij het bestreden besluit over de toekenning per april 2017 is beslist.

4.1.5.

De toekenning van het AOW pensioen met ingang van 1 april 2017 is gevolgd bij het besluit van 5 april 2017. Nu, zoals hiervoor is overwogen, in het bestreden besluit op de aanvraag had moeten worden beslist, is de toekenning van het AOW-pensioen per april 2017 bij besluit van 5 april 2017 (wijzigingsbesluit) aan te merken als een besluit tot wijziging van het bestreden besluit zoals bedoeld in artikel 6:19, eerste lid van de Awb.

4.1.6.

De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het hoger beroep van appellante slaagt in zoverre en het bestreden besluit zal wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb worden vernietigd voor zover niet over de toekenning van het AOW-pensioen per 1 april 2017 is beslist

Toekenning AOW-pensioen met ingang van 1 april 2017

4.2.1.

In hoger beroep heeft appellante in de eerste plaats betoogd dat zij erop mocht vertrouwen dat zij vanaf de leeftijd van 65 jaar AOW-pensioen zou ontvangen, nu haar bij besluit van 12 maart 2008, dat na bewaar is gehandhaafd bij besluit van 24 april 2008, ongeclausuleerd en zonder voorbehoud is meegedeeld dat zij met ingang van 1 juli 2016 voor een AOW-pensioen in aanmerking kan komen. De Svb is daarop niet teruggekomen, ook niet na de inwerkingtreding van artikel 7a van de AOW per 1 januari 2013 en de latere wijzigingen van dat artikel.

4.2.2.

Naar het oordeel van de Raad kon appellante geen rechtens te honoreren verwachtingen ontlenen aan het pensioenoverzicht. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in de eerste plaats vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen (zie de uitspraak van de Raad van 31 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4351). In dit geval moest appellante begrijpen dat de in het pensioenoverzicht gegeven informatie over haar AOW-leeftijd werd verstrekt bij de toenmalige stand van de wetgeving en onder voorbehoud van wetswijzigingen. Reeds hierom faalt haar beroep op het vertrouwensbeginsel.

4.3.1.

Verder stelt appellante dat het verschuiven van de AOW-leeftijd en het daardoor ontstane AOW-gat een onevenredig zware last voor haar oplevert. De Svb heeft door alleen te toetsen aan de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW (OBR) geen deugdelijk individueel feitenonderzoek verricht of het AOW-gat een onevenredig zware last oplevert voor haar die leidt tot schending van artikel 1 van het Eerste Protocol. Appellante heeft gesteld dat zij gedurende die periode geen inkomen had en onvoldoende draagkrachtig was om de verschuiving van de AOW leeftijd te kunnen opvangen. Appellante had zowel voor als nadat zij de leeftijd van 65 jaar bereikte geen inkomen of vermogen en zij is onderhouden door haar familie.

4.3.2.

Uit rechtspraak van de Raad (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2016:2502) over de invoering van artikel 7a van de AOW en de daarmee gepaard gaande verschuiving van de AOW aanvangs- en pensioengerechtigde leeftijd volgt dat die verschuiving een inmenging in het eigendomsrecht is die in het algemeen proportioneel wordt geacht en in het algemeen niet leidt tot een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol. Overwogen is voorts dat de toepassing van artikel 7a van de AOW in concrete gevallen kan leiden tot een onevenredig zware last als bedoeld in de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) en daardoor tot een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol. Of sprake is van een onevenredig zware last moet van geval tot geval op basis van deugdelijke individueel feitenonderzoek worden beoordeeld.

4.3.3.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 3 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:228) valt de enkele toetsing of appellante aan de voorwaarden van de OBR voldoet, waartoe de Svb zich in het wijzigingsbesluit heeft beperkt, niet aan te merken als een deugdelijk individueel feitenonderzoek naar het bestaan van een onevenredig zware last tijdens het AOW-gat. Van zorgvuldige besluitvorming kan slechts sprake zijn als nader onderzoek wordt gedaan naar de financiële situatie van de betrokkene, met name tijdens de periode van het AOW-gat.

4.3.4.

De Svb heeft in hoger beroep alsnog ook de inkomens- en vermogenspositie van appellante bekeken en getoetst of, buiten de gevallen die bij het EHRM reeds hebben geleid tot een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol, sprake is van andere zeer bijzondere omstandigheden die tot een schending kunnen leiden. Daarvan is volgens de Svb niet gebleken. De Raad sluit zich hierbij aan. In aanmerking is genomen dat appellante geen inkomen ontving en geen vermogen had voorafgaand aan haar 65ste verjaardag en dat door de opschuiving van de AOW-leeftijd die situatie niet is gewijzigd. Dat appellante zowel voor als nadat zij de leeftijd van 65 jaar bereikte is onderhouden door haar familie, maakt niet dat een onevenredig zware last is ontstaan. Het enkele gegeven dat appellante geen inkomen en vermogen had, betekent in het onderhavige geval niet dat sprake is van een onevenredig zware last. De Svb heeft daarom terecht zonder verdere compensatie per 1 april 2017 AOW-pensioen aan appellante toegekend.

4.4.

Uit wat is overwogen in 4.1.1 tot en met 4.3.4 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit gegrond moet worden verklaard. Verder volgt hieruit dat (ook) aan het wijzigingsbesluit geen deugdelijk individueel feitenonderzoek ten grondslag ligt en dat dit besluit derhalve onzorgvuldig is voorbereid. Nu de Svb in hoger beroep alsnog een zorgvuldige beoordeling heeft gedaan en de Raad de door de Svb daaraan verbonden conclusie deelt, zal dit gebrek worden gepasseerd onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Hierdoor worden geen belanghebbenden benadeeld.

5. Aanleiding bestaat de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.050,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en € 1.050,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting), in totaal op een bedrag van € 2.100,-, voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 1 december 2016 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover niet over de toekenning van het AOW-pensioen per 1 april 2017 is beslist;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 5 april 2017 ongegrond;

- veroordeelt de Svb in de kosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 2.100;

-bepaalt dat de Svb aan appellante het in beroep betaalde griffierecht van in totaal € 46,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, als voorzitter en A. van Gijzen en T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2020.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) B.V.K. de Louw