Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2897

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-11-2020
Datum publicatie
24-11-2020
Zaaknummer
17/4671 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv is met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 24 oktober 2019 alsnog aan de bezwaren van appellant tegemoetgekomen wat betreft zijn aanspraken op grond van de ZW. Hierdoor bestaat er feitelijk geen geschil meer tussen partijen. Dat brengt mee dat, nu appellant het hoger beroep niet heeft ingetrokken, het hoger beroep van appellant door het ontbreken van een procesbelang niet-ontvankelijk wordt verklaard. Het verzoek van appellant het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente wordt toegewezen. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Met betrekking tot de vordering van appellant van de gemaakte kosten van € 1.816,18 in verband met de medische adviezen die hij heeft ingebracht, wordt geoordeeld dat deze vordering gedeeltelijk voor toewijzing in aanmerking komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/544
USZ 2021/30
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 4671 ZW

Datum uitspraak: 19 november 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

29 mei 2017, 17/101 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om schadevergoeding.

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.J. Dijk hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dijk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.

Het onderzoek ter zitting is geschorst.

De Raad heeft longarts dr. I. van der Lee als onafhankelijke deskundige benoemd. Deze heeft op 8 oktober 2019 een rapport uitgebracht.

Het Uwv heeft op 24 oktober 2019 een gewijzigde beslissing op bezwaar toegezonden.

Appellant heeft zijn zienswijze op de gewijzigde beslissing op bezwaar gegeven.

Partijen hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord. Met toepassing van artikel 8:57, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven en is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Het Uwv heeft bij besluit van 28 november 2016 (bestreden besluit) het bezwaar van

appellant tegen het besluit van 27 juli 2016, waarin is beslist dat appellant met ingang van 28 augustus 2016 geschikt is voor één van de in het kader van de eerstejaars Ziektewet(ZW)beoordeling in 2015 geselecteerde functies, ongegrond verklaard. Het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

2. Nadat een door de Raad geraadpleegde deskundige rapport had uitgebracht, heeft het Uwv op 24 oktober 2019 een nader besluit genomen. Bij dat besluit (beslissing op bezwaar) heeft het Uwv de beëindiging van het ziekengeld op grond van de ZW per 28 augustus 2016 niet gehandhaafd. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 juli 2016 heeft het Uwv gegrond verklaard. Appellant heeft daardoor vanaf 28 augustus 2016 recht op een ZW‑uitkering.

3. Appellant heeft te kennen gegeven zich te kunnen vinden in de gewijzigde beslissing op bezwaar. Appellant heeft het hoger beroep gehandhaafd en verzocht om toekenning van de wettelijke rente, vergoeding van de gemaakte kosten voor medische advisering en om vergoeding van de reiskosten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het Uwv is met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 24 oktober 2019 alsnog aan de bezwaren van appellant tegemoetgekomen wat betreft zijn aanspraken op grond van de ZW. Hierdoor bestaat er feitelijk geen geschil meer tussen partijen. Dat brengt mee dat, nu appellant het hoger beroep niet heeft ingetrokken, het hoger beroep van appellant door het ontbreken van een procesbelang niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Wettelijke rente

4.2.

Het verzoek van appellant het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente wordt toegewezen. Voor de wijze waarop het Uwv de rente dient te berekenen, wordt verwezen de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.

Proceskosten

4.3.

Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.4.

Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) wordt aan onderhavige zaak een gemiddeld gewicht toegekend en met een waarde per punt van € 525,-. De nog te vergoeden kosten worden begroot op € 1.050,- voor verleende rechtsbijstand in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting) en op

€ 525,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift), in totaal € 1.575,-. De reiskosten van appellant voor het bijwonen van de zitting bij de rechtbank en bij de Raad worden op basis van het door appellant ingevulde proceskostenformulier vastgesteld op € 41,06 in beroep en op € 78,50 in hoger beroep, in totaal € 119,56.

Kosten partijdeskundige

4.5.

Appellant heeft verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de kosten van de door hem in beroep en hoger beroep ingebrachte medische adviezen van Medisch Advies Groep (MAG). Appellant is van mening dat de medische adviezen van 27 september 2016, 23 december 2016, 24 april 2017, 30 juni 2017, 23 oktober 2017 en 15 augustus 2018 voor vergoeding in aanmerking dienen te komen. Appellant heeft verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de gemaakte kosten van in totaal € 1.816,18. Daaraan heeft appellant toegevoegd dat ook de kosten van niet-medici dienen te worden vergoed.

4.6.

Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat een uurvergoeding alle in het kader van het deskundigenadvies te verrichten werkzaamheden omvat; afzonderlijk gedeclareerde uren besteed aan administratieve ondersteuning komen niet voor vergoeding in aanmerking. Volgens het Uwv komen daarom de volgende posten niet voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking: indexeren documenten, verwerking advies/brief secretariaat, telefoonnotitie secretariaat, checken bijlagen en invoer dossier. Ten aanzien van het door appellant genoemde medisch advies van 27 september 2016 heeft het Uwv gesteld dat dit advies zich niet in het dossier bevindt en de aan dat advies verbonden kosten niet dienen te worden vergoed.

4.7.

Om te beoordelen welke medische kosten voor vergoeding in aanmerking komen, moet inzichtelijk zijn welke kosten voor welk medisch advies zijn gemaakt. Van belang is dat de factuur ten minste blijk geeft van de datum waarop de werkzaamheden zijn verricht en het aantal uren dat aan de werkzaamheden is besteed. Bij brief van 5 februari 2020 heeft de Raad appellant verzocht hieromtrent aanvullende gegevens te overleggen.

4.8.

Met een schrijven van 6 februari 2020 heeft appellant een overzicht overgelegd van de kosten en werkzaamheden die ten grondslag liggen aan de medische adviezen.

4.9.

Het Uwv heeft aanvullend aangevoerd dat de medisch adviseur in het kostenoverzicht een uurtarief hanteert dat ruim boven de maximale vergoeding komt zoals vastgesteld in het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (Bts). Volgens het Uwv komt in totaal een bedrag van

€ 383,95 (inclusief omzetbelasting) voor vergoeding in aanmerking.

4.10.

Met betrekking tot de vordering van appellant van de gemaakte kosten van € 1.816,18 in verband met de medische adviezen die hij heeft ingebracht, wordt geoordeeld dat deze vordering gedeeltelijk voor toewijzing in aanmerking komt. Ten aanzien van de gevorderde kosten voor administratieve en secretariële ondersteuning wordt overwogen dat deze niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat artikel 1 van het Bpb niet in deze kosten voorziet. Daarnaast bestaat geen aanleiding om voor vergoeding van de door appellant ingeschakelde medisch adviseur een ander tarief te hanteren dan het in artikel 6 van het Bts opgenomen uurtarief. Dit betekent dat de volgende bedragen door het Uwv moeten worden vergoed:

  • -

    medisch advies van 23 december 2016: € 121,95 x (30/60 minuten) = € 60,98;

  • -

    medisch advies van 24 april 2017: € 121,95 x (25/60 minuten) = € 50,81;

  • -

    medisch advies van 30 juni 2017: € 121,95 x (30/60 minuten) = € 60,98;

  • -

    medisch advies van 23 oktober 2017: € 121,95 x (40/60 minuten) = € 81,30;

  • -

    medisch advies van 15 augustus 2018: € 122,63 x (30/60 minuten) = € 61,32.

Op grond van artikel 15 van het Bts worden de bedragen verhoogd met de omzetbelasting die daarover is verschuldigd. Het voorgaande betekent dat voor vergoeding in aanmerking komt een bedrag van € 315,39 en een bedrag van € 66,23 aan omzetbelasting. In totaal dient daarom een bedrag van € 381,62 door het Uwv te worden vergoed.

4.11.

Het door appellant genoemde medisch advies van 27 september 2016 bevindt zich niet in het dossier. Dit medisch advies is dus niet mede betrokken bij de beslissing op bezwaar en de aan dat advies verbonden kosten dienen daarom niet door het Uwv te worden vergoed.

4.12.

In totaal moet het Uwv de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep vergoeden tot een bedrag van € 2.076,18.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

- veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de wettelijke rente als onder 4.2 aangegeven;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.076,18;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2020.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) D.S. Barthel