Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2883

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-11-2020
Datum publicatie
23-11-2020
Zaaknummer
20/2436 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Met ingang van 15 juli 1994 is artikel 3, tweede lid, van de Wuv ingrijpend gewijzigd. Sindsdien kunnen uitsluitend personen met de vervolgde worden gelijkgesteld die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden verkeerden die overeenkomsten vertonen met vervolging. Appellante is na de oorlog geboren en behoort daarom niet tot die groep van personen. Verweerder voert het beleid dat, gegeven de sluiting van de Wuv voor de tweede generatie, alleen dan aanleiding bestaat om tot herziening over te gaan als er bij het besluit waarvan herziening wordt verzocht een aperte, verweerder verwijtbare fout is gemaakt. In wat appellante naar voren heeft gebracht wordt geen grond gezien voor het oordeel dat verweerder bij de beoordeling van de aanvraag van 1992 een aperte, hem verwijtbare fout heeft gemaakt. Het bestreden besluit kan in rechte stand houden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 2436 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

Datum uitspraak: 19 november 2020

PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 8 juli 2020, kenmerk BZ011372870 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht (nader) ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren in 1965, heeft in september 1992 verzocht om onder toepassing van artikel 3, tweede lid (oud), van de Wuv met de vervolgde te worden gelijkgesteld. In dat verband heeft appellante gesteld dat zij psychische klachten heeft die in verband staan met de vervolging van haar vader. Bij besluit van 16 augustus 1993 en na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 februari 1994 is de aanvraag afgewezen op de grond dat de psychische klachten van appellante niet in overwegende mate door of in verband met de vervolgingsziekten van haar vader zijn ontstaan. Tegen het besluit van 11 februari 1994 is geen beroep ingesteld.

1.2.

In april 2019 heeft appellante verzocht de eerdere afwijzing te herzien. Verweerder heeft dat verzoek afgewezen bij besluit van 20 april 2020, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat bij de eerdere afwijzing geen aperte hem verwijtbare fouten zijn gemaakt.

2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

2.1.

Op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wuv is verweerder bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door hem gegeven beschikking in het voordeel van de bij die beschikking betrokkene te herzien. Gelet op het karakter van deze discretionaire bevoegdheid kan de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid toetsen.

2.2.

Met ingang van 15 juli 1994 is artikel 3, tweede lid, van de Wuv ingrijpend gewijzigd. Sindsdien kunnen uitsluitend personen met de vervolgde worden gelijkgesteld die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden verkeerden die overeenkomsten vertonen met vervolging. Appellante is na de oorlog geboren en behoort daarom niet tot die groep van personen.

2.3.

Deze wetswijziging staat er niet aan in de weg dat verweerder aanvragen van na de oorlog geboren personen en, die op of na 15 juli 1994 worden ingediend en ertoe strekken de eerder genomen besluiten tot afwijzing van een verzoek om gelijkstelling te herzien, in behandeling neemt en op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wuv beoordeelt. Verweerder voert het beleid dat, gegeven de sluiting van de Wuv voor de tweede generatie, alleen dan aanleiding bestaat om tot herziening over te gaan als er bij het besluit waarvan herziening wordt verzocht een aperte, verweerder verwijtbare fout is gemaakt. Naar vaste rechtspraak gaat dit beleid het gegeven wettelijke kader niet te buiten en is het niet onredelijk (uitspraak van 19 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1825).

2.4.

De onder 1.1 genoemde besluitvorming waarbij verweerder het standpunt heeft ingenomen dat de psychische klachten van appellante niet in overwegende mate verband houden met de vervolgingsgevolgen van haar vader is in hoofdzaak gebaseerd op het geneeskundig rapport van de psychiater J.D.J. Tilanus die appellante op verzoek van verweerder heeft onderzocht. Op basis van zijn onderzoek concludeerde Tilanus dat appellante wel psychische klachten heeft maar dat die klachten voor een relatief klein gedeelte berusten op transgenerationele gronden. Het aandeel van de transgenerationele gronden is naar redelijkheid en naar de meest waarschijnlijkheid minder dan 50%. Als overige omstandigheden die een aandeel hebben in het ontstaan van de psychische klachten noemt Tilanus de positie van appellante als nakomertje, het soms door appellante ervaren van het gevoel niet welkom te zijn tegenover nu en dan verwenning, de periode van afwezigheid van vader tegenover – na zijn afkeuring – nadrukkelijk aanwezigheid, problemen in het gezin met verslaafde broer en disharmonieuze ouderlijke huwelijksverhouding.

2.5.

In wat appellante naar voren heeft gebracht wordt geen grond gezien voor het oordeel dat verweerder bij de beoordeling van de aanvraag van 1992 een aperte, hem verwijtbare fout heeft gemaakt. De door appellante overgelegde medische informatie van RIAGG
Zuid-Limburg uit augustus 2002, van de huisarts uit 2019 en een verzekeringsgeneeskundige rapportage van april 2020 dat is opgesteld naar aanleiding van een WIA-aanvraag schetsen een psychisch toestandsbeeld van appellante van geruime tijd ná de afwijzing van de eerdere aanvraag. De overgelegde medische gegevens en de van internet verkregen informatie bieden geen steun voor de stelling van appellante dat Tilanus zijn conclusie zou hebben gebaseerd op oneigenlijke gronden. Mede in aanmerking genomen de sluiting van de Wuv voor de naoorlogse generatie heeft verweerder kunnen afzien van het instellen van een nader medisch onderzoek zoals door appellante verzocht.

2.6.

Uit 2.5 volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2020.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) P.W.J. Hospel