Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2879

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2020
Datum publicatie
23-11-2020
Zaaknummer
19/4958 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De omstandigheid dat het college na de intrekking van bijstand vanaf 2 mei 2017 een daarna, op 21 december 2017, ingediende aanvraag om bijstand heeft afgewezen die onherroepelijk vaststaat, is niet van betekenis voor de uitvoering van de rechterlijke uitspraak die inhoudt dat de intrekking vanaf 18 november 2017 geen standhoudt. Uit deze rechterlijke uitspraak volgt immers dat er vanaf 18 november 2017 een grondslag ontbrak voor de intrekking waardoor een doorlopend recht op bijstand is ontstaan. Voor appellante bestond, achteraf bezien, geen aanleiding om op 21 december 2017 een nieuwe aanvraag in te dienen, zodat er geen reden is om de aanspraak op bijstand tot die datum te beperken. Vergelijk de uitspraak van 23 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2491, waarvan met name rechtsoverweging 4.5.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 4958 PW

Datum uitspraak: 10 november 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

25 oktober 2019, 19/2758 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. van Asperen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft vanaf 5 augustus 2014 bijstand ontvangen, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande. Op 12 oktober 2017 heeft het college een melding van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ontvangen waarin te kennen is gegeven dat appellante sinds 2016 zwart werkte als manager in een hotel in Tsjechië. Naar aanleiding hiervan heeft het college een onderzoek doen instellen naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dit kader heeft een onderzoek via internet plaatsgevonden, heeft appellante op 5 december 2017 een verklaring afgelegd tegenover twee medewerkers handhaving en heeft appellante bankafschriften overgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn vervat in het Rapport Afdeling Handhaving van
20 december 2017.

1.2.

Bij besluit van 4 januari 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 juli 2018, heeft het college de verleende bijstand met ingang van 2 mei 2017 ingetrokken en de over de periode van 2 mei 2017 tot en met 30 november 2017 te veel betaalde bijstand tot een bedrag van € 6.570,59 teruggevorderd. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante vanaf 2 mei 2017 het merendeel van de tijd in Tsjechië heeft verbleven en daar op loon waardeerbare arbeid heeft verricht. Nu appellante dit niet heeft doorgegeven aan het college heeft zij de inlichtingenverplichting geschonden, als gevolg waarvan het college het recht op bijstand vanaf 2 mei 2017 niet heeft kunnen vaststellen.

1.3.

Appellante heeft op 21 december 2017 een nieuwe aanvraag om bijstand ingevolge de PW ingediend. Bij besluit van 5 februari 2018 heeft het college die aanvraag afgewezen. Het college heeft aan dat besluit ten grondslag gelegd dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Appellante heeft hiertegen geen bezwaarschrift ingediend.

1.4.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 10 juli 2018. Bij uitspraak van

13 juni 2019, 18/2532, heeft de rechtbank dit beroep gegrond verklaard, het besluit van

10 juli 2018 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van het in die uitspraak overwogene. De rechtbank is daarbij tot het oordeel gekomen dat vanaf 18 november 2017 een grondslag voor intrekking van de bijstand ontbreekt nu vaststaat dat appellante toen niet meer in het buitenland verbleef.

1.5.

Het college heeft ter uitvoering van die uitspraak op 4 juli 2019 een nieuw besluit op bezwaar genomen (bestreden besluit). Daarbij heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 4 januari 2018 gegrond verklaard, met dien verstande dat de intrekking wordt beperkt tot de periode van 2 mei 2017 tot en met 17 november 2017. Het teruggevorderde bedrag is daarom verlaagd naar € 6.145,57. Voorts heeft het college appellante vanaf

18 november 2017 weer bijstand verleend tot en met 20 december 2017.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, het volgende overwogen. Het college heeft terecht besloten de met ingang van 18 november 2017 hervatte uitbetaling van de bijstand met ingang van 21 december 2017 te beëindigen. Op het moment waarop het college had besloten om de uitbetaling van de bijstand van appellante met ingang van

18 november 2017 te hervatten, lag er immers reeds een rechtens onaantastbaar besluit over het recht op bijstand van appellante met ingang van 21 december 2017. De stelling van appellante dat op grond van de uitspraak van de rechtbank van 13 juni 2019 de uitbetaling van de bijstandsuitkering van eiseres na 17 november 2017 ongewijzigd had moeten worden voortgezet, wordt niet gevolgd. De uitspraak van 13 juni 2019 ziet immers uitsluitend op het recht op bijstand van appellante over de periode 2 mei 2017 tot en met 30 november 2017 en niet ook op haar recht op bijstand na 30 november 2017. Daarom faalt de beroepsgrond van appellante dat het college de uitbetaling van de bijstand na 17 november 2017 ongewijzigd had moeten voortzetten.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 21 december 2017, de datum met ingang waarvan appellante geen bijstand meer is verleend, tot en met 4 januari 2018, de datum van het primaire besluit.

4.2.

.2. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van het college heeft onderschreven dat de hervatting van de bijstand per 18 november 2017 moet worden beperkt tot 21 december 2017. De rechtbank heeft daarbij volgens appellante miskend dat in de uitspraak van 13 juni 2019 wel degelijk een oordeel is gegeven over de periode vanaf 18 november 2017, inhoudende dat appellante toen niet meer in Tsjechië heeft verbleven noch daar werkzaam is geweest. Volgens appellante was er geen andere reden om de bijstand te beëindigen. Deze grond slaagt.

4.3.

De omstandigheid dat het college de latere aanvraag om bijstand per 21 december 2017 onherroepelijk heeft afgewezen, is niet meer van belang. Nu de rechtbank in de uitspraak van 13 juni 2019 heeft geoordeeld dat vanaf 18 november 2017 een grondslag ontbrak voor de intrekking, volgt daaruit dat vanaf die datum een doorlopend recht op bijstand is ontstaan. Voor appellante bestond, achteraf bezien, geen aanleiding om op 21 december 2017 een nieuwe aanvraag in te dienen, zodat er geen reden is om de aanspraak op bijstand tot die datum te beperken. Vergelijk de uitspraak van 23 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2491, waarvan met name rechtsoverweging 4.5.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak vernietigd moet worden. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen voor zover daarin de aanspraak van appellante op bijstand is beperkt tot 21 december 2017 en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van dat besluit.

5.1.

Het verzoek van appellante om een veroordeling tot het vergoeden van schade in de vorm van wettelijke rente komt voor toewijzing in aanmerking. De wettelijke rente over de na te betalen bijstand moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.

5.2.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.050,- in beroep (2 punten) en op € 525,- in hoger beroep

(1 punt) voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.575,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 4 juli 2019 voor zover daarin de aanspraak van appellante op bijstand is beperkt tot 21 december 2017 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaatst treedt

van het vernietigde deel van het besluit van 4 juli 2019;

  • -

    veroordeelt het college tot vergoeding aan appellante van de schade zoals onder 5.1 van deze uitspraak is vermeld;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.575,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 175,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van R. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2020.

(getekend) M. Hillen

(getekend) R. van Nimwegen