Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2878

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-2020
Datum publicatie
23-11-2020
Zaaknummer
19/3438 WLZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is van oordeel dat [B.V. 2] niet is aan te merken als belanghebbende. De beroepsgrond van appellante dat het zorgkantoor zijn standpunt niet heeft mogen baseren op de stukken over de maanden mei en juni 2018 slaagt niet. Gelet op de geconstateerde gebreken heeft de rechtbank het zorgkantoor terecht gevolgd in zijn standpunt dat een gegronde reden bestond om aan te nemen dat [curator 1] onvoldoende waarborg zal bieden voor het nakomen van de verplichtingen die zijn verbonden aan het pgb. Wat appellante heeft aangevoerd, maakt niet dat moet worden geoordeeld dat het zorgkantoor niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/546
USZ 2021/15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 3438 WLZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 18 november 2020

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 19 juli 2019, 19/878 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellante, destijds wettelijk vertegenwoordigd door curator [naam curator] ( [curator 1] ), heeft mr. dr. M.F. Vermaat, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het zorgkantoor heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Per 1 juni 2020 is [curator 1] ontslagen als curator van appellante. Per diezelfde datum is [naam B.V. 1] benoemd tot curator van appellante.

[naam B.V. 2] ( [B.V. 2] ) heeft de Raad verzocht als partij te mogen deelnemen aan onderhavige procedure. De Raad heeft [B.V. 2] bericht dat deze, in de huidige stand van de procedure, vooralsnog niet in de gelegenheid wordt gesteld om als partij aan het geding deel te nemen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2020, (gedeeltelijk) door middel van beeldbellen. Namens appellante is curator [curator 2] verschenen, bijgestaan door mr. Vermaat. Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Hartman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

CIZ heeft appellante, geboren in 1999, op grond van de Wet langdurige zorg geïndiceerd voor zorgprofiel VG (Besloten) wonen met zeer intensieve begeleiding, verzorging en gedragsregulering. Appellante ontving deze zorg in de vorm van zorg in natura (ZIN).

1.2.

In verband met de verhuizing van appellante op 1 mei 2018 naar het kleinschalig wooninitiatief van [B.V. 2] heeft [curator 1] namens appellante verzocht om per die datum ZIN om te zetten naar een persoonsgebonden budget (pgb). Desgevraagd heeft [curator 1] ter ondersteuning van deze aanvraag onder meer overgelegd een zorgovereenkomst met [B.V. 2] alsmede specificaties van gezamenlijk en individueel genoten zorg in de maanden mei en juni 2018. In de zorgovereenkomst is overeengekomen dat [B.V. 2] met ingang van 1 mei 2018 voor 168 uur per week zorg verleent aan appellante tegen een maandbedrag van € 6.910,-.

1.3.

Bij besluit van 16 oktober 2018, gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 23 januari 2019 (bestreden besluit), heeft het zorgkantoor geweigerd om aan appellante een pgb te verlenen. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat [curator 1] als gewaarborgde hulp onvoldoende waarborgen biedt voor het nakomen van de verplichtingen van een pgb. [curator 1] heeft geen sluitende urenverantwoording kunnen afleggen over de genoten zorg in de afgelopen maanden. Volgens het zorgkantoor kan bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het besluit worden gekomen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij – samengevat – het volgende overwogen. Het bepaalde in artikel 5.11, tweede lid, aanhef en onder 5°, van de Regeling langdurige zorg (Rlz) gaat ook op voor een curator. Op grond van deze bepaling kan het zorgkantoor een pgb weigeren als er een gegronde reden is om aan te nemen dat een persoon die is ingeschakeld als gewaarborgde hulp onvoldoende waarborg zal bieden dat de verplichtingen, die voor een verzekerde aan een pgb zijn verbonden, worden nagekomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het zorgkantoor zich terecht op het standpunt gesteld dat hiervan sprake is. Uit de overgelegde administratie van de maanden mei en juni 2018 blijkt dat [curator 1] onvoldoende in staat is om op juiste wijze rekening en verantwoording af te leggen over de genoten zorg. De administratie is niet inzichtelijk en niet sluitend. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. De enkele stelling dat meer personen met een door het zorgkantoor verleend pgb bij [B.V. 2] verblijven, is te weinig concreet.

3.1.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en
– samengevat – het volgende aangevoerd. Er bestaat geen ruimte voor het zorgkantoor om zich op het standpunt te stellen dat een curator als gewaarborgde hulp onvoldoende waarborg zal bieden voor de nakoming van de verplichtingen die zijn verbonden aan een pgb. Een curator wordt immers benoemd en gecontroleerd door de kantonrechter. Verder heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de administratie niet inzichtelijk en niet sluitend is. Bij een wooninitiatief kopen de bewoners de zorg gezamenlijk in door bundeling van hun pgb’s. De zorgbehoefte van de bewoners kan variëren. Vooraf kan niet precies worden gezegd welke zorg aan welke bewoner zal worden geleverd. Aan het eind van het subsidiejaar wordt de balans opgemaakt en kan worden verantwoord welke zorg wel en niet is geleverd. Voorgaande is niet anders in de situatie van appellante en dit maakt dat niet op basis van de administratie van de maanden mei en juni 2018 in het algemeen de conclusie kan worden getrokken dat de administratie niet inzichtelijk en niet sluitend is. Daarbij komt dat appellante aan het begin van haar verblijf bij [B.V. 2] zorgmijdend was. Dat zij toen minder zorg afnam, maakt niet dat die zorg toen niet voor haar beschikbaar moest zijn. Verder heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Ter onderbouwing van dit beroep heeft appellante een lijst overgelegd met bewoners van [B.V. 2] aan wie het zorgkantoor wel een pgb heeft verleend om tegen een vast maandbedrag zorg in te kopen.

3.2.

Het zorgkantoor heeft in verweer bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad ziet zich, mede gelet op het verloop van de procedure, allereerst gesteld voor de vraag of [B.V. 2] is aan te merken als belanghebbende als bedoeld in
artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ingevolge
artikel 1:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt, dient sprake te zijn van een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang dat de betrokkene in voldoende mate onderscheidt van anderen. Dat belang moet rechtstreeks bij het desbetreffende besluit zijn betrokken. Bij een uitsluitend van een andere betrokkene afgeleid belang is niet aan deze eis voldaan. De Raad is van oordeel dat [B.V. 2] niet is aan te merken als belanghebbende. De belangen van [B.V. 2] worden niet rechtstreeks geraakt door het bestreden besluit. Voor zover [B.V. 2] financiële gevolgen ondervindt door het bestreden besluit, vloeien deze uitsluitend voort uit de contractuele relatie die hij met appellante heeft. Van enig rechtstreeks geraakt daarbuiten gelegen belang is geen sprake, nu het bestreden besluit – kort gezegd – ziet op het handelen van de gewaarborgde hulp van appellante. Dit betekent dat niet kan worden gezegd dat [B.V. 2] een eigen, zelfstandig (vermogens)belang heeft bij het bestreden besluit, dat los staat van voornoemd contractuele belang.

4.2.1.

Ingevolge artikel 1.1 van de Rlz wordt onder gewaarborgde hulp verstaan: de door de verzekerde ingeschakelde hulp van een derde die in staat voor de nakoming van de aan het persoonsgebonden budget verbonden verplichtingen.

4.2.2.

Ingevolge artikel 5.11, tweede lid, aanhef en onder 5°, van de Rlz, gelezen in verbinding met het eerste lid van deze bepaling, kan de verlening van een pgb worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de door de verzekerde ingeschakelde gewaarborgde hulp anderszins onvoldoende waarborg zal bieden voor het nakomen van de voor de verzekerde aan het pgb verbonden verplichtingen.

4.3.

Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat de weigeringsgrond in
artikel 5.11, tweede lid, aanhef en onder 5°, van de Rlz in het onderhavige geval van toepassing is. Indien een curator optreedt als gewaarborgde hulp als bedoeld in
artikel 1.1 van de Rlz, is het bepaalde in de Rlz onverkort op hem van toepassing.

4.4.

De beroepsgrond van appellante dat het zorgkantoor zijn standpunt niet heeft mogen baseren op de stukken over de maanden mei en juni 2018 slaagt niet. In een situatie waarin de zorg waarvoor om een pgb wordt verzocht al is aangevangen mag het zorgkantoor bij de beoordeling van de vraag of weigeringsgronden aanwezig zijn de stukken betrekken die nodig zijn voor de verantwoording van de besteding van het te verlenen pgb, ook als een betrokkene zorgmijdend is. Niet in geschil is dat de specificaties van de tijd en kosten over de maanden mei en juni 2018, niet stroken met de uren en het maandtarief zoals opgenomen in de zorgovereenkomst van [B.V. 2] . Gelet op deze gebreken heeft de rechtbank het zorgkantoor terecht gevolgd in zijn standpunt dat een gegronde reden bestond om aan te nemen dat [curator 1] onvoldoende waarborg zal bieden voor het nakomen van de verplichtingen die zijn verbonden aan het pgb. Anders dan appellante meent, rechtvaardigt de omstandigheid dat appellante de zorg ontving in een kleinschalig wooninitiatief, de geconstateerde gebreken niet. Dit betekent dat het zorgkantoor op grond van
artikel 5.11, tweede lid, aanhef en onder 5°, van de Rlz bevoegd was om de verlening van een pgb te weigeren.

4.5.

Wat appellante heeft aangevoerd, maakt niet dat moet worden geoordeeld dat het zorgkantoor niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel faalt. Appellante heeft onvoldoende onderbouwd dat de gevallen waarin het zorgkantoor mogelijk wel een pgb heeft verleend aan een bewoner van [B.V. 2] gelijk zijn aan het geval van appellante.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en D.S. de Vries en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van B.H.B. Verheul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2020.

(getekend) L.M. Tobé

(getekend) B.H.B. Verheul