Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2876

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-2020
Datum publicatie
24-11-2020
Zaaknummer
18/6345 WLZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank is op de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen tot het oordeel gekomen dat het zorgkantoor de verplichting tot betaling van het pgb heeft kunnen opschorten. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en verenigt zich met het op grond daarvan door de rechtbank gegeven oordeel. Het zorgkantoor heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de constructie, waarbij appellant bestuurder is van Azorg B.V. en van waaruit ook zorg aan hemzelf wordt geleverd, ongewenst is. Het betoog van appellant dat [Y] het bestreden besluit niet kon bekrachtigen, omdat zij ten tijde van dat besluit geen bestuurder was van het zorgkantoor is feitelijk onjuist. Anders dan appellant betoogt, heeft de rechtbank het bevoegdheidsgebrek kunnen passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Ten slotte mist het betoog dat de rechtbank een onjuist criterium heeft gehanteerd, feitelijke grondslag. De rechtbank heeft namelijk beoordeeld of een ernstig vermoeden bestond dat het pgb niet is gebruikt waarvoor het is verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2021/14
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 6345 WLZ

Datum uitspraak: 18 november 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
5 november 2018, 18/357 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W. Kort, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2020, gedeeltelijk door middel van beeldbellen. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kort. Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Hartman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren in 1959, is op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) geïndiceerd voor zorg. Het zorgkantoor heeft hem in verband hiermee voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 op grond van de Wlz een persoonsgebonden budget (pgb) verleend.

1.2.

Het zorgkantoor heeft bij besluit van 27 februari 2017, gehandhaafd bij besluit van
15 december 2017 (bestreden besluit), de verplichting tot betaling van het pgb met ingang van 1 april 2017 opgeschort. Het zorgkantoor heeft hieraan ten grondslag gelegd dat is gebleken dat appellant met het pgb alleen zorgverlener [Azorg B.V.] betaalt, terwijl appellant de eigenaar is van deze B.V. Verder is gebleken dat appellant vanuit deze B.V. bij verschillende zorgverleners zorg inkoopt. Het zorgkantoor twijfelt of deze constructie past in de voorschriften van het pgb, omdat het pgb moet worden besteed aan feitelijk geleverde zorg. Daar komt bij dat het zorgkantoor diverse signalen heeft ontvangen dat de zorgverleners niet of slecht uitbetaald worden. Hiermee wordt het pgb niet besteed waarvoor deze bedoeld is, namelijk voor Wlz-zorg.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit voor de periode van 1 april 2017 tot en met
27 april 2017 vernietigd, het besluit van 27 februari 2017 voor deze periode herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit. De rechtbank heeft, voor zover van belang, overwogen dat [naam X] ( [X] ) niet bevoegd was het bestreden besluit namens voorzitter directie [naam Y] ( [Y] ) te ondertekenen. Gelet op de bekrachtiging door [Y] kan het bevoegdheidsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden gepasseerd, nu appellant door dit gebrek niet in zijn belangen is geschaad. De rechtbank heeft verder overwogen dat het zorgkantoor zich op het standpunt heeft mogen stellen dat een ernstig vermoeden bestond dat het pgb niet gebruikt is waarvoor het is verleend. Het zorgkantoor heeft de constructie, waarbij appellant bestuurder is van [Azorg B.V.] en van waaruit ook zorg aan hemzelf wordt geleverd, ongewenst mogen achten. Het is immers niet duidelijk wat de bedrijfskosten van [Azorg B.V.] zijn en of dit met pgb-gelden wordt gefinancierd. Daarbij is de constructie niet nodig, omdat de pgb-regeling het mogelijk maakt om rechtstreekse contracten met zorgverleners af te sluiten. Daarnaast heeft het zorgkantoor ook mogen betrekken dat signalen zijn binnengekomen dat zorgverleners niet of slecht uitbetaald worden. Anders dan appellant heeft betoogd, heeft het zorgkantoor deze signalen serieus mogen nemen en heeft het zorgkantoor zich terecht op het standpunt gesteld dat opschorting juist bedoeld is om dit soort signalen te onderzoeken. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt, omdat een goedkeuring over het jaar 2016 niet automatisch betekent dat de besteding van het pgb in 2017 ook goedgekeurd wordt. Evenmin is gebleken dat [X] een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging heeft gedaan over de goedkeuring van de besteding van het pgb voor 2017. Op grond van het voorgaande is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat het zorgkantoor bevoegd was het pgb op te schorten. Deze bevoegdheid bestaat echter pas vanaf 28 april 2017, omdat dit de dag is waarop appellant schriftelijk in kennis is gesteld van het ernstige vermoeden als bedoeld in artikel 4:56 van de Awb.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens appellant was [Y] ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog geen bestuurder van het zorgkantoor, zodat zij dit besluit niet kon bekrachtigen. Daarnaast moet het bevoegdheidsgebrek worden aangemerkt als een fundamenteel gebrek dat niet met toepassing van artikel 6:22 van de Awb kan worden gepasseerd. De rechtbank zou zonder de toepassing van deze bepaling mogelijk tot een andere uitkomst zijn gekomen. Appellant heeft verder aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het zorgkantoor de onder 1.2 vermelde constructie ongewenst heeft mogen achten. Ongewenst is immers niet het criterium waaraan getoetst moet worden. Daarnaast heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het zorgkantoor heeft mogen betrekken dat signalen zijn binnengekomen dat zorgverleners niet of slecht zouden worden uitbetaald. Ten slotte heeft appellant betoogd dat hij door de vaststelling van het pgb over het jaar 2016 er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de wijze waarop hij zorg inkocht juist was.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank is op de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen tot het oordeel gekomen dat het zorgkantoor de verplichting tot betaling van het pgb heeft kunnen opschorten. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en verenigt zich met het op grond daarvan door de rechtbank gegeven oordeel. Daaraan wordt, naar aanleiding van de gronden, het volgende toegevoegd.

4.2.

Het betoog van appellant dat [Y] het bestreden besluit niet kon bekrachtigen, omdat zij ten tijde van dat besluit geen bestuurder was van het zorgkantoor is feitelijk onjuist. Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel dat is overgelegd bij de rechtbank volgt dat zij al met ingang 1 augustus 2017 bestuurder was. Anders dan appellant betoogt, heeft de rechtbank het bevoegdheidsgebrek kunnen passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Vergelijk de uitspraken van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550, en van
19 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4214. Met de enkele stelling dat zonder de toepassing van deze bepaling de rechtbank mogelijk tot een andere uitkomst was gekomen, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij door het bevoegdheidsgebrek in het bestreden besluit is benadeeld.

4.3.

Ten slotte mist het betoog dat de rechtbank een onjuist criterium heeft gehanteerd, feitelijke grondslag. De rechtbank heeft namelijk beoordeeld of een ernstig vermoeden bestond dat het pgb niet is gebruikt waarvoor het is verleend.

4.4.

In wat appellant verder in hoger beroep naar voren heeft gebracht, heeft de Raad geen steun gevonden om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen. Het hoger beroep slaagt daarom niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en D.S. de Vries en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van B.H.B. Verheul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2020.

(getekend) L.M. Tobé

(getekend) B.H.B. Verheul