Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2840

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-2020
Datum publicatie
19-11-2020
Zaaknummer
18/5328 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 5328 WAO

Datum uitspraak: 18 november 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 augustus 2018, 18/3205 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (Marokko) (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2020. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is in 1988 als uitzendkracht werkzaam geweest. Op 26 september 1988 heeft

hij zich ziek gemeld. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging bij besluit van 10 juli 1991 geweigerd appellant een uitkering toe te kennen op grond van de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 10 juli 1991 ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank heeft de Raad bij uitspraak van 3 januari 1996 bevestigd (94/2742).

1.2.

In zijn uitspraak van 14 april 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1439) heeft de Raad

geoordeeld dat een herhaalde aanvraag van appellant om een arbeidsongeschiktheidsuitkering terecht is afgewezen.

1.3.

In een brief van 29 november 2017 heeft appellant opnieuw verzocht om een

WAO‑uitkering. Bij besluit van 15 december 2017 heeft het Uwv appellant meegedeeld niet terug te komen van het besluit van 10 juli 1991. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 15 december 2017. Bij besluit van 20 maart 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant geen gronden heeft ingediend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het

bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het beroepschrift geen gronden van het beroep bevatte. Appellant is bij aangetekende brief van 3 mei 2018 in de gelegenheid gesteld om dit verzuim binnen vier weken te herstellen en alsnog de gronden in te dienen. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant niet binnen de gestelde termijn het verzuim heeft hersteld. Op 5 juli 2018 heeft de rechtbank een brief van appellant (gedateerd 26 juni 2018) ontvangen. De rechtbank heeft overwogen dat deze brief buiten de gestelde termijn is ingediend. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hem niet verweten kan worden dat hij niet tijdig gronden heeft ingediend.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep opnieuw verzocht hem een uitkering toe te kennen. Hij heeft aangevoerd dat hij erg ziek is.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb, is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten.

4.2.

In artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb, is bepaald dat, indien niet is voldaan aan artikel 6:5, het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. De in artikel 6:6 van de Awb bedoelde hersteltermijn is in artikel 2.4, eerste lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2017 vastgesteld op vier weken.

4.3.

Het beroepschrift dat appellant bij de rechtbank heeft ingediend, bevat geen beroepsgronden. De rechtbank heeft appellant bij aangetekende brief van 3 mei 2018 op dit verzuim gewezen en hem in de gelegenheid gesteld dit verzuim uiterlijk binnen vier weken te herstellen door alsnog de ontbrekende gronden van het beroep in te dienen. Daarbij is appellant gewezen op de consequenties van het niet tijdig voldoen aan het verzoek. Appellant heeft de beroepsgronden op 5 juli 2018 ingediend. Dit is buiten de door de rechtbank gestelde termijn. De situatie, bedoeld in artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb, deed zich dus voor. Van verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding is niet gebleken. De rechtbank heeft het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.J.A.M. van Brussel, in tegenwoordigheid van M. Géron als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2020.

(getekend) W.J.A.M. van Brussel

(getekend) M. Géron