Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2835

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2020
Datum publicatie
23-11-2020
Zaaknummer
18/5132 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering toekenning bijstand met ingang van eerdere datum dan de meldingsdatum. Geen aanknopingspunten waaruit zou kunnen worden afgeleid dat appellant onjuiste informatie van het college heeft ontvangen of is afgehouden van het (eerder) indienen van een aanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 5132 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 10 november 2020

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
13 augustus 2018, 18/808 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Losser (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. de Widt, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2020. Voor appellant is verschenen mr. De Widt. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.A.G. Tijhaar.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1

Appellant ontving samen met zijn toenmalige partner bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor gehuwden. Appellant heeft gemeld dat hij met ingang van 16 mei 2017 een eigen woning op een adres te [plaatsnaam] , gemeente Losser (adres X) heeft gekregen en dat hij bijstand naar de norm voor een alleenstaande wil aanvragen. Op
15 juni 2017 heeft appellant daartoe een aanvraag om bijstand ingediend. In het kader van deze aanvraag hebben medewerkers van de afdeling Werk, Inkomen en Zorg van de gemeente Losser onderzoek gedaan naar de woon- en leefsituatie van appellant. De medewerkers hebben twee maal een huisbezoek willen afleggen aan de woning op adres X, maar appellant niet aangetroffen. Op 23 juni 2017 hebben de medewerkers een gesprek met appellant gevoerd. De medewerkers hebben appellant na afloop van dit gesprek medegedeeld aansluitend een huisbezoek aan het opgegeven adres te willen brengen. Tijdens het gesprek hebben de medewerkers appellant medegedeeld dat de aanvraag om bijstand zal worden afgewezen, wanneer hij niet meewerkt aan het huisbezoek. Appellant heeft geweigerd mee te werken aan een huisbezoek. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 27 juni 2017.

1.2.

Bij besluit van 26 juni 2017 heeft het college de bijstand naar de norm voor gehuwden met ingang van 16 mei 2017 ingetrokken. Bij afzonderlijk besluit van 26 juni 2017 heeft het college de aanvraag van appellant om bijstand naar de norm voor een alleenstaande afgewezen, omdat door het niet meewerken aan het huisbezoek het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Appellant heeft tegen deze besluiten geen bezwaar gemaakt.

1.3.

Appellant heeft zich op 18 augustus 2017 opnieuw gemeld en bijstand aangevraagd met als gewenste ingangsdatum 27 mei 2017.

1.4.

Bij besluit van 27 september 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 maart 2018 (bestreden besluit), heeft het college aan appellant met ingang van 18 augustus 2017 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat bijstand wordt toegekend over een periode voorafgaand aan de datum van melding.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Gelet op het verhandelde ter zitting beperkt het geschil tussen partijen zich tot de periode van 27 juni 2017 tot en met 18 augustus 2017 (te beoordelen periode).

4.2.

In beginsel wordt geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of – in voorkomende gevallen – een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Dit is vaste rechtspraak over de toepassing van artikel 43 en 44 van de Wet werk en bijstand (uitspraak van 21 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV8690), welke rechtspraak onder de PW zijn gelding heeft behouden.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat aan hem met terugwerkende kracht bijstand moet worden verleend, omdat het hem pas later in de procedure duidelijk werd dat zijn eerdere aanvraag was afgewezen. Hij heeft het besluit van 26 juni 2017 niet rond die datum ontvangen. Appellant heeft diverse keren gebeld naar de gemeente, maar is aan het lijntje gehouden en niet geïnformeerd over de afwijzing van zijn eerdere aanvraag. Ten einde raad heeft hij zich opnieuw gemeld om een aanvraag om bijstand in te dienen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.4.

Dat appellant ervan heeft afgezien om zich eerder bij het college te melden, omdat hij in de te beoordelen periode nog in afwachting was van een beslissing op zijn eerdere aanvraag om bijstand, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt. Niet in geschil is dat het college de eerdere aanvraag bij besluit van 26 juni 2017 heeft afgewezen. Niet is gebleken dat appellant niet daags daarna een nieuwe aanvraag had kunnen indienen. Ook heeft appellant zijn stelling dat hij in de te beoordelen periode diverse malen naar de gemeente heeft gebeld, maar dat hij telefonisch aan het lijntje is gehouden, op geen enkele wijze onderbouwd. Het college heeft dit ter zitting van de Raad weersproken en heeft in dit verband toegelicht dat uit de dossierstukken niet blijkt dat appellant in de te beoordelen periode heeft gebeld met de gemeente. Indien appellant in de te beoordelen periode wel telefonisch contact had opgenomen met de gemeente, had de betreffende medewerker appellant geïnformeerd over de op dat moment voorhanden zijnde informatie over de afgewezen eerdere aanvraag. Ook anderszins zijn geen aanknopingspunten in het dossier voorhanden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat appellant onjuiste informatie van het college heeft ontvangen of is afgehouden van het indienen van een aanvraag.

4.5.

Appellant heeft verder gewezen op zijn persoonlijke omstandigheden, in het bijzonder de echtscheiding en zijn psychische problemen en zijn moeilijke woonsituatie. Anders dan appellant heeft aangevoerd heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat zijn persoonlijke omstandigheden voor hem een belemmering vormden om eerder dan 18 augustus 2017 een aanvraag om bijstand in te dienen. Dat appellant psychische problemen had, heeft hij bovendien niet met nadere gegevens onderbouwd.

4.6.

Het betoog van appellant dat hij sinds half mei 2017 geen inkomsten meer ontving en om die reden aangewezen was op bijstand, slaagt ook niet. Het verkeren in bijstandbehoevende omstandigheden is geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan bijstandsverlening met terugwerkende kracht gerechtvaardigd is. Vergelijk de uitspraak van 12 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:66.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van A.A.H. Ibrahim als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2020.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) A.A.H. Ibrahim