Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2834

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2020
Datum publicatie
23-11-2020
Zaaknummer
18/4724 PW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen bijstand. Appellanten hebben onvoldoende inzicht verstrekt in hun financiële situatie door geen concrete en verifieerbare gegevens te verstrekken over de aankoop en verkoop van hun woonwagen. De na de intrekking ingediende aanvragen om bijstand zijn terecht afgewezen omdat appellanten hun financiële situatie nog steeds niet inzichtelijk hebben gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 4724 PW-PV, 19/2704 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 10 november 2020

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van 19 juli 2018, 18/1682 (aangevallen uitspraak 1) en van

10 mei 2019, 19/312 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Midden Drenthe (college)

Zitting heeft: A.M. Overbeeke

Griffier: W.E.M. Maas

Ter zitting is namens appellanten verschenen mr. Th. Martens, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Goed en M.C. Arntzenius.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1.1.

Naar aanleiding van een melding van de beleidsadviseur Woonwagenzaken dat appellanten hun woonwagen hebben verkocht en versleept, en een vervangende, nieuwe woonwagen hebben aangeschaft, heeft een consulent Inkomen een onderzoek ingesteld. In dat kader zijn bankafschriften opgevraagd en zijn appellanten in de gelegenheid gesteld gegevens inzake de aan- en verkoop van de woonwagens te verstrekken. Uit dat onderzoek is naar voren gekomen dat appellanten hun oude woonwagen, die zij destijds voor het symbolische bedrag van € 1,- van de gemeente hadden gekocht, hebben verkocht voor € 7.500,-. Dit bedrag is volgens appellanten contant betaald op 11 oktober 2017. Voor de nieuwe, nog te bouwen casco woonwagen hebben appellanten € 22.000,- contant betaald. Hiervoor hebben zij € 15.000,- geleend van een neef van appellante.

1.2.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college onder meer aanleiding geweest om bij besluit van 30 november 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 mei 2018 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellanten met ingang van 11 oktober 2017 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 954,69 van appellanten terug te vorderen. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellanten, door niet te melden dat zij op 11 oktober 2017 hun woonwagen hebben verkocht en een nieuwe woonwagen hebben aangekocht, hun inlichtingenverplichting hebben geschonden. Appellanten zijn er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat zij, indien zij destijds wel aan hun inlichtingenverplichting hadden voldaan, wel recht op bijstand hadden gehad. Appellanten hebben geen deugdelijke en verifieerbare bewijsstukken over de wijze van financiering van de aankoop en verkoop van de woonwagens overgelegd. De overgelegde beknopte en achteraf opgestelde verklaringen, zoals die van de koopster van de woonwagen en van de neef van appellante, zijn ontoereikend omdat die niet verifieerbaar zijn. Appellanten hebben een onduidelijke situatie over hun financiële positie geschapen en daardoor is niet vast te stellen of recht op (aanvullende) bijstand bestond.

2. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

2.1.

De gronden waarop het hoger beroep berust zijn een herhaling van wat appellanten in beroep hebben aangevoerd. Appellanten hebben opnieuw betoogd dat zij voldoende objectieve en verifieerbare informatie hebben verschaft over hun financiële situatie. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan en heeft terecht geoordeeld dat appellanten ten aanzien van de aan- en verkoop van de woonwagens onvoldoende verifieerbare inlichtingen hebben verschaft. Door tegen contante betaling hun oude woonwagen te verkopen en een nieuwe, casco woonwagen aan te kopen voor € 22.000,-, hebben appellanten over hun financiële positie een onduidelijkheid geschapen, die ook nadien is blijven voortbestaan. Appellanten hebben geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van die gronden in de aangevallen uitspraak 1 onjuist of onvolledig is. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel rust. De Raad voegt daar nog aan toe dat de omstandigheden dat het in de cultuur van woonwagenbewoners normaal is dat familieleden elkaar helpen en dat contant betalen gebruikelijk is, geen omstandigheden zijn waarmee in het kader van de toepassing van de bijstandswetgeving rekening behoeft te worden gehouden.

3. Appellanten hebben op 4 december 2017 weer bijstand aangevraagd en op 15 december 2017 bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van rechtsbijstand. Bij besluit van

8 februari 2018, gehandhaafd bij besluit van 11 december 2018 (bestreden besluit 2), heeft het college die aanvragen afgewezen. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellanten nog steeds geen objectief en verifieerbaar bewijs hebben overgelegd met betrekking tot de aan- en verkoop van de woonwagens. Alle transacties worden (nog steeds) contant gedaan. Kosten voor het vervoer van de woonwagen naar de locatie, voor het inbouwen van een keuken en sanitair, de inrichtingskosten en kosten voor levensonderhoud zijn volgens appellanten door familieleden betaald, maar dat hebben zij niet inzichtelijk gemaakt. Het recht op bijstand is daarom niet vast te stellen.

4. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

4.1.

Appellanten hebben in hoger beroep opnieuw aangevoerd dat zij voldoende inlichtingen hebben verschaft waarmee het college kan vaststellen dat zij recht op bijstand hebben. Zij hebben gewezen op de gegevens die zij ook al in het kader van de intrekking van de bijstand hadden overgelegd. Na de intrekking hebben zij geleefd van leningen, giften en de voedselbank.

4.2.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellanten niet hebben aangetoond dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat zij nu wel voldeden aan de voorwaarden om voor bijstand in aanmerking te komen. Zij zijn in gebreke gebleven voldoende inzicht te bieden in hun financiële situatie. Zij hebben geen deugdelijke en verifieerbare bewijsstukken overgelegd met betrekking tot aan- en verkoop van de woonwagens en hun financiële positie in het algemeen.

5. Uit wat onder 2.1 en 4.2 is overwogen volgt dat de hoger beroepen niet slagen.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) W.E.M. Maas (getekend) A.M. Overbeeke