Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2831

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-11-2020
Datum publicatie
17-11-2020
Zaaknummer
20/892 AW-V
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzet ongegrond. Geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat verzoeker niet in verzuim is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 13 november 2020

20/892 AW-V

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, in verbinding met artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het verzoek om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 5 juli 2012, 11/5900 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht van 9 juli 2020 heeft de Raad het door verzoeker ingediende verzoek om herziening tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Verzoeker heeft verzet gedaan.

Het verzet is behandeld ter zitting van 2 oktober 2020. Verzoeker is verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 9 juli 2020 berust op de overwegingen dat het griffierecht niet binnen de in de brief van 10 april 2020 gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat verzoeker niet in verzuim is geweest.

In verzet heeft verzoeker te kennen gegeven dat hij de aangetekend verzonden betalingsherinnering van 10 april 2020 niet heeft ontvangen en geen afhaalbericht van PostNL in de brievenbus heeft aangetroffen. Ook de brief van 10 maart 2020, waarbij verzoeker voor de eerste maal werd verzocht het griffierecht te voldoen, heeft hem niet bereikt.

De Raad is van oordeel dat verzoeker in verzet geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat verzoeker niet in verzuim is geweest. De brieven van 10 maart 2020 en 10 april 2020 zijn gericht aan het door verzoeker opgegeven adres. Bij onderzoek is de Raad gebleken dat verzoeker op het moment dat de brieven zijn verzonden ook in de gemeentelijke basisadministratie stond ingeschreven op dit adres. Het elektronisch volgsysteem van PostNL vermeldt dat op 15 april 2020 is geprobeerd de brief van 10 april 2020 te bezorgen, maar dat dit niet is gelukt. Op 16 april 2020 is de bezorging wederom niet gelukt, waarna de zending is teruggestuurd naar een PostNL-punt, waar het kon worden afgehaald. Gelet hierop gaat de Raad er van uit dat PostNL, overeenkomstig de daarvoor geldende richtlijnen, op 16 april 2020 ook een afhaalbericht bij verzoeker in de brievenbus heeft achtergelaten. Concrete bewijzen van problemen met de postbezorging zijn niet overgelegd.

Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2020.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) R.H. Koopman