Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2830

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-11-2020
Datum publicatie
17-11-2020
Zaaknummer
19/5066 WW-V
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzet ongegrond. Geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 13 november 2020

19/5066 WW-V en 19/5067 WW-V

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 oktober 2019, 18/7963 en 19/269 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 6 mei 2020 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Namens appellant heeft drs. F. Elidrissi verzet gedaan.

Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 2 oktober 2020. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 6 mei 2020 berust op de overwegingen dat het griffierecht niet binnen de in de brief van 17 januari 2020 gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.

In verzet heeft de gemachtigde van appellant te kennen gegeven dat appellant onvoldoende inkomen heeft om het griffierecht te betalen. Appellant heeft voor voldoening van het griffierecht bijzondere bijstand aangevraagd. De afhandeling van deze aanvraag duurt erg lang. Het was de gemachtigde van appellant niet bekend dat de termijn om het griffierecht te betalen een fatale termijn is.

De Raad is van oordeel dat in verzet geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. De Raad overweegt dat artikel 8:41, zesde lid, van de Awb dwingend bepaalt dat - behoudens verschoonbaarheid van het verzuim - het niet tijdig betalen van het griffierecht leidt tot
niet-ontvankelijkheid. Verder staat in de op 17 januari 2020 aan de gemachtigde van appellant verzonden aangetekende betalingsherinnering vermeld dat bij niet tijdige betaling van het griffierecht er rekening mee moet worden gehouden dat de zaak niet inhoudelijk zal worden behandeld. Het had de gemachtigde van appellant daarom bekend kunnen zijn dat het hier om een fatale termijn gaat.

Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.

Het bedrag van het te laat betaalde griffierecht (€ 128,-) zal door de griffier van de Raad aan appellant worden terugbetaald.

Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    verklaart het verzet ongegrond;

  • -

    bepaalt dat het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 128,- door de griffier van de Centrale Raad van Beroep aan appellant wordt terugbetaald.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2020.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) R.H. Koopman