Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2820

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-11-2020
Datum publicatie
23-11-2020
Zaaknummer
20/1573 PW-PV
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2020:2124, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Opschorten en intrekken bijstand in verband met het niet verstrekken van gevraagde CIN-nummers. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat hen geen verwijt treft van het niet verstrekken op de grond dat zij feitelijk niet in staat zijn geweest de gevraagde CIN-nummers te verkrijgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 1573 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 maart 2020, 19/3015 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante) te [woonplaats]

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 5 november 2020

Zitting heeft: P.W. van Straalen

Griffier: Y. Al-Qaq

Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 5 november 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. P.W.E. Ros. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Stahl-de Bruin

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 8 mei 2019 gegrond en vernietigt dit besluit;

  • -

    verklaart het bezwaar tegen de besluiten van 29 november 2018 en 4 januari 2019 ongegrond en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 8 mei 2019;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellanten tot een bedrag van € 3.150.-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 178,- vergoedt.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet (PW) in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling). Bij besluit van 29 november 2018 heeft de Svb met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de PW het recht op

AIO-aanvulling van appellanten opgeschort met ingang van 26 november 2018. De Svb heeft de AIO-aanvulling vervolgens bij besluit van 4 januari 2019 per 26 november 2018 ingetrokken op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW. Aan deze besluiten ligt ten grondslag dat appellanten niet de door de Svb gevraagde CIN-nummers hebben overgelegd, ook niet nadat zij daartoe bij het opschortingsbesluit nogmaals in de gelegenheid waren gesteld. Het door appellanten ingediende bezwaar heeft de Svb bij besluit van 8 mei 2019 (bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft de Svb zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, zodat het bestreden besluit geen stand kan houden. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Zoals ter zitting met partijen is besproken, zal de Raad vervolgens de opschorting en de intrekking beoordelen.

Tussen partijen is niet in geschil dat de CIN-nummers van belang zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand en dat appellanten de CIN-nummers niet hebben verstrekt, ook niet nadat zij daartoe in het opschortingsbesluit nogmaals in de gelegenheid zijn gesteld. Appellanten zijn er in het opschortingsbesluit bovendien op gewezen dat het niet tijdig verstrekken gevolgen zou kunnen hebben voor de AIO-aanvulling. Partijen zijn uitsluitend verdeeld over het antwoord op de vraag of appellanten hiervan een verwijt gemaakt kunnen worden.

Appellanten hebben aangevoerd dat zij de CIN-nummers niet konden verstrekken, omdat zij al jaren geen Marokkaans paspoort meer hebben en zij daarom niet bij het Marokkaanse consulaat in Nederland hun CIN-nummers kunnen opvragen. Voor het verkrijgen van een CIN-nummer moeten appellanten hun geboorteakte opvragen in Marokko. Daarvoor hebben zij hun familieboek nodig. De vader van appellante weigert haar familieboek vrij te geven. Om die reden kan appellante niet worden verweten dat zij deze gegevens niet hebben verstrekt. Voor appellant is het niet mogelijk naar Marokko te reizen om daar een geboorteakte te verkrijgen die nodig is om zonder Marokkaans paspoort een CIN-nummer aan te vragen.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellanten hebben ruimschoots de gelegenheid gehad om de CIN-nummers te achterhalen. Zij hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij bij het Marokkaanse consulaat in Nederland hun CIN-nummers hebben opgevraagd en het consulaat deze nummers bij gebrek aan een Marokkaans paspoort of een geboorteakte niet kan verstrekken. Appellanten hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat zij uitsluitend via een in Marokko op te vragen geboorteakte hun CIN-nummers kunnen achterhalen.

Dit betekent dat de gronden tegen de opschorting en de intrekking niet slagen. Het bezwaar tegen de opschorting en intrekking zal daarom ongegrond worden verklaard.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) Y. Al-Qaq (getekend) P.W. van Straalen