Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2809

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2020
Datum publicatie
17-11-2020
Zaaknummer
19/4354 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanstelling terecht tussentijds beëindigd. Aannemelijk geworden dat de functie in al zijn facetten, waaronder de inhoud van het werk, de werkdruk en de werkomgeving, onvoldoende paste bij de mogelijkheden, beperkingen en behoefte aan begeleiding van appellante. Gelet op het beperkte toetsingskader, is de Raad van oordeel dat het ontslag op redelijke grond is verleend waarbij de minister geen geschreven of ongeschreven rechtsregel heeft geschonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 4354 AW

Datum uitspraak: 12 november 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
9 september 2019, 19/956 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Infrastructuur en Waterstraat (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.W. Menkveld, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Mr. H. Giard, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Giard. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Verschuren en drs. M.R. de Mos.

OVERWEGINGEN

1. Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) in werking getreden.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de AW 2017 behouden krachtens deze wet genomen

besluiten die zijn genomen voor 1 januari 2020 hun geldigheid. Ingevolge artikel 16,

tweede lid, van de AW 2017 blijft ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of

beroep in te stellen alsmede de behandeling van zodanig bezwaar of beroep tegen een op

grond van deze wet genomen besluit of handeling dat voor 1 januari 2020 is bekendgemaakt,

het recht van toepassing zoals dat gold voor 1 januari 2020.

2.1.

Appellante is met ingang van 1 april 2018 met toepassing van artikel 6, tweede lid, aanhef en onder c, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) voor de duur van een jaar aangesteld in de functie van [naam functie] bij de afdeling [afdeling], onderdeel [onderdeel], van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Zij vervulde deze functie voor 24 uur per week.

2.2.

Bij besluit van 29 juni 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 januari 2019 (bestreden besluit), heeft de minister met toepassing van artikel 95, tweede lid, aanhef en onder c, van het ARAR de aanstelling van appellante per 31 juli 2018 tussentijds beëindigd. Aan de besluitvorming heeft de minister, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Het functioneren van appellante is onvoldoende, ondanks dat haar begeleiding is geboden met inachtneming van haar beperkingen en haar coaching is aangeboden. Zij voldoet niet aan de eisen en verwachtingen die de minister stelt aan deze functie. Er was geen goede match tussen appellante, de door haar vervulde functie en de werkomstandigheden die de minister haar kon bieden. Daarnaast is de arbeidsverhouding tussen appellante en haar leidinggevende onherstelbaar verstoord. Dat appellante behoort tot het doelgroepenregister en dat haar beperkingen wellicht zijn onderschat, maakt deze vaststelling niet anders. Tot slot heeft appellante het aanbod van een andere, juridische functie, van de hand gewezen omdat zij het werk in die functie te eenvoudig vond.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht komt de Raad tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 26 augustus 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN6914) kan de ambtenaar die in tijdelijke dienst is aangesteld met toepassing van artikel 95, tweede lid, van het ARAR op elke redelijke grond ontslag worden verleend. Daarbij geldt wel de voorwaarde dat het bestuursorgaan daarmee niet in strijd komt met geschreven of ongeschreven recht.

4.2.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de minister de aanstelling van appellante tussentijds heeft mogen beëindigen. Hij neemt de overwegingen die aan dit oordeel ten grondslag zijn gelegd over en maakt deze tot de zijne. Naar aanleiding van wat in hoger beroep is aangevoerd, voegt de Raad het volgende toe.

4.3.

Appellante stelt dat de rechtbank de zaak ten onrechte niet heeft aangehouden, nadat appellante en haar gemachtigde niet ter zitting zijn verschenen. Hierdoor is het beginsel van hoor en wederhoor geschonden. Dit betoog slaagt niet. Naar aanleiding van de door de rechtbank verzonden uitnodiging voor het bijwonen van de mondelinge behandeling heeft de toenmalige gemachtigde van appellante, bij brief van 4 juli 2019, de rechtbank bericht dat appellante afziet van de mondelinge behandeling en om haar moverende redenen niet wenst dat gemachtigde ter zitting verschijnt. Nu appellante en haar gemachtigde ervoor hebben gekozen geen gebruik te maken van de mogelijkheid ter zitting te worden gehoord, is dit geen reden voor aanhouding.

4.4.

Appellante voert ook in hoger beroep aan dat er onvoldoende intensieve begeleiding heeft plaatsgevonden, zodat er geen redelijke grond bestaat voor het ontslag. Dit betoog slaagt niet. Geprobeerd is om het takenpakket van appellante aan te passen aan de beperkingen van appellante. Ook is appellante interne begeleiding en externe job coaching aangeboden. Om haar moverende redenen heeft zij hiervan slechts beperkt gebruik gemaakt. Daarnaast heeft appellante ook begeleiding en ondersteuning ontvangen van haar leidinggevende in de vorm van wekelijkse gesprekken. Dat de werkrelatie van appellante en haar leidinggevende na verloop van tijd onder druk is komen te staan, wat zonder twijfel invloed heeft gehad op deze begeleiding en ondersteuning, doet hier niet aan af. Niet weersproken is dat de werkrelatie tussen beiden in de beginperiode goed was. Ook is getracht appellante een meer vaste werkplek te bieden, waardoor zij minder afhankelijk was van een steeds wisselende flexplek. Daarnaast is appellante een andere functie aangeboden, die meer aansluit bij de opleiding die zij volgde. Uit het verslag van de hoorzitting in bezwaar blijkt dat appellante deze functie niet heeft aanvaard omdat zij deze te eenvoudig vond. Tot slot heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij geacht werd meer dan de overeengekomen 24 uur per week te werken.
Het vorenstaande in ogenschouw genomen is aannemelijk geworden dat de functie in al zijn facetten, waaronder de inhoud van het werk, de werkdruk en de werkomgeving, onvoldoende paste bij de mogelijkheden, beperkingen en behoefte aan begeleiding van appellante. Gelet op het beperkte toetsingskader als weergegeven in 4.1, is de Raad van oordeel dat het ontslag op redelijke grond is verleend waarbij de minister geen geschreven of ongeschreven rechtsregel heeft geschonden.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van M. Buur als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2020.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) M. Buur