Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2806

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-11-2020
Datum publicatie
17-11-2020
Zaaknummer
19/2313 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Studiefinanciering terecht herzien. Appellant terecht aangemerkt als thuiswonende studerende. Niet woonachtig op brp-adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19/2313 WSF

Datum uitspraak: 11 november 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

21 mei 2019, 18/4467 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. Arabaci, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De minister heeft toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten. Appellant heeft niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant stond in de basisregistratie personen (brp) ingeschreven onder het adres [Adres] in [woonplaats]. Appellant heeft, voor zover hier van belang, vanaf 1 juli 2012 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) ontvangen, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Omdat hij ten tijde van een door de minister uitgevoerde controle niet bleek te wonen op het brp-adres, is deze studiefinanciering bij besluit van 14 maart 2014 herzien, in die zin dat appellant als thuiswonende studerende is aangemerkt. Dit besluit is na heroverweging bij besluit van 31 juli 2014 gehandhaafd. Bij uitspraak van 9 april 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:2567, heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 31 juli 2014 ongegrond verklaard. In hoger beroep is deze uitspraak door de Raad bevestigd (zie de uitspraak van 11 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1743).

1.2.

Bij brief van 11 april 2018 heeft appellant verzocht terug te komen van het besluit van 14 maart 2014, omdat daaraan onrechtmatig bewijs ten grondslag was gelegd.

1.3.

Bij besluit van 2 mei 2018 heeft de minister het onder 1.2 bedoelde verzoek afgewezen omdat in het verzoek geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn vermeld die aanleiding geven het besluit van 14 maart 2014 te herzien. Om ambtshalve aan appellant tegemoet te komen heeft de minister geen aanleiding gezien.

1.4.

Bij besluit van 9 juli 2018 (bestreden besluit) heeft de minister het tegen het besluit van 2 mei 2018 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat conform vaste rechtspraak van de Raad de inhoud van inmiddels tot stand gekomen jurisprudentie op zichzelf geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb vormt. Dat betekent in dit geval dat de jurisprudentie van de Raad over huisbezoeken verricht door onbevoegde controleurs en het buiten de beoordeling laten van de resultaten van die betreffende huisbezoeken niet kan leiden tot het doorbreken van het rechtens onaantastbaar zijn van het besluit van 14 maart 2014. Dat de controleurs niet bevoegd waren tot het verrichten van het huisbezoek had appellant kunnen aanvoeren in de bezwaarprocedure tegen het besluit van 14 maart 2014 en in de daaropvolgende procedures van beroep en hoger beroep. Dat heeft hij nagelaten. De door hem aangevoerde omstandigheid dat hij hier pas achter is gekomen nadat hij uitgeprocedeerd was, dient voor zijn rekening en risico te blijven.

In wat in beroep is aangevoerd heeft de rechtbank geen grond gezien voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft daarbij, in vrijwel identieke bewoordingen als in beroep, aangevoerd dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. De onrechtmatigheid van de controle dient te leiden tot herroeping van het besluit van 14 maart 2014.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. Hij heeft in hoger beroep uitsluitend herhaald wat in beroep is aangevoerd.

4.2.

De rechtbank heeft de beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.

4.3.

De Raad onderschrijft de overwegingen die tot het oordeel in de aangevallen uitspraak hebben geleid. Volledigheidshalve wijst de Raad op de uitspraak van 6 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:598. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2020.

(getekend) J. Brand

(getekend) R.H. Koopman