Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2794

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2020
Datum publicatie
17-11-2020
Zaaknummer
19/1762 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overname loonbetalingsverplichtingen. Niet is gebleken van aanspraken van [werkgever 3 B.V.] met betrekking tot de terugbetaling van een door [werkgever 3 B.V.] van appellant overgenomen studieschuld of overgenomen vordering op appellant, die verrekening met het nog aan appellant verschuldigde achterstallig loon rechtvaardigen. Dit leidt tot de conclusie dat in dit geval de vordering van appellant, anders dan in de door het Uwv genoemde uitspraak van de Raad van 26 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX8778 het geval was, niet aan gerede twijfel onderhevig is en voor toewijzing in aanmerking komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 1762 WW

Datum uitspraak: 12 november 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

8 maart 2019, 18/4875 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. de Graaf, opgevolgd door mr. R.A. Severijn, beiden advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2020. Namens appellant is mr. Severijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is per 1 juni 2009 in dienst getreden bij [werkgever 1] als servicemonteur. Tussen appellant en [werkgever 1] is in februari 2013 een studiekostenovereenkomst afgesloten voor een door appellant te volgen studie van drie jaar. Hierbij is onder meer opgenomen dat bij uitdiensttreding binnen twee jaar na de einddatum van het studiejaar de kosten voor werknemer zullen zijn.

1.2.

Per 1 maart 2016 is appellant in dienst getreden bij [werkgever 2 B.V.] ( [werkgever 2 B.V.] ) op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar.

1.3.

Per 1 november 2016 is appellant in dienst getreden bij [werkgever 3 B.V.] op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar. [werkgever 2 B.V.] heeft [werkgever 3 B.V.] een factuur gestuurd met een bedrag van € 2.700,- onder de vermelding “voor de overname van de studieschuld van appellant”, welke factuur door [werkgever 3 B.V.] is voldaan. De arbeidsovereenkomst is per 1 mei 2017 geëindigd door opzegging van appellant.

1.4.

[werkgever 3 B.V.] heeft appellant op 25 april 2017 een factuur gestuurd voor een bedrag van
€ 2.700,- met als omschrijving “studieschuld [werkgever 2 B.V.] ”. [werkgever 3 B.V.] heeft dit bedrag verrekend met de eindafrekening van het salaris van april 2017, het vakantiegeld en vrije uren van appellant.

1.5.

Bij dagvaarding van 31 oktober 2017 heeft appellant een procedure gestart om het ingehouden loon van € 2.700,- van [werkgever 3 B.V.] terug te vorderen. [werkgever 3 B.V.] heeft de vordering gemotiveerd betwist. Deze procedure is niet afgerond vanwege de omstandigheid dat [werkgever 3 B.V.] op 27 februari 2018 in staat van faillissement is verklaard.

1.6.

Appellant heeft op 28 maart 2018 het Uwv verzocht om met toepassing van Hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) de loonbetalingsverplichtingen van [werkgever 3 B.V.] over te nemen, bestaande uit het bedrag van € 2.700,- dat [werkgever 3 B.V.] volgens appellant ten onrechte heeft ingehouden op het salaris van appellant.

1.7.

Het Uwv heeft bij besluit van 24 april 2018 de aanvraag van appellant afgewezen. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij beslissing op bezwaar van 2 oktober 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich in het bestreden besluit, voor zover nog van belang, op het standpunt gesteld dat [werkgever 3 B.V.] de schuld heeft overgenomen onder dezelfde voorwaarden als de eerste, oorspronkelijke schuldeiser. Hierdoor heeft [werkgever 3 B.V.] een vordering op appellant. [werkgever 3 B.V.] heeft volgens het Uwv terecht uitvoering gegeven aan de studieovereenkomst en de studiekosten verrekend met het nog te betalen loon van appellant.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 5 maart 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD1436) vorderingen niet voor overneming in aanmerking komen als zij niet duidelijk aanwijsbaar, niet voldoende concreet en aan gerede twijfel onderhevig zijn. Bij beantwoording van de vraag of een vordering voor overneming in aanmerking komt, dient het Uwv zich op basis van de beschikbare gegevens en zo nodig op grond van eigen onderzoek zelfstandig een oordeel te vormen over het al dan niet bestaan van een verplichting van de werkgever tot betaling van achterstallig loon. Vast staat dat appellant per de datum van het faillissement niet meer in dienst was van [werkgever 3 B.V.] . Dit betekent dat appellant alleen op grond van artikel 62 van de WW recht kan hebben op een WW-uitkering/overneming van de betalingsverplichting van [werkgever 3 B.V.] . Uit de conclusie van antwoord in de dagvaardingsprocedure blijkt dat [werkgever 3 B.V.] de vordering van appellant gemotiveerd heeft betwist. Daarom kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat de vordering van appellant niet aan gerede twijfel onderhevig is. Op grond van de beschikbare gegevens kan niet zonder meer tot de conclusie worden gekomen dat de vordering van appellant in de civiele procedure zou zijn toegewezen. Dat in het zogeheten studiekostenbeding in de arbeidsovereenkomst van appellant met [werkgever 3 B.V.] uitsluitend een terugbetalingsverplichting voor appellant is opgenomen van door [werkgever 3 B.V.] zelf voor appellant betaalde studiekosten, leidt niet tot een ander oordeel. De vordering van het bedrag aan studiekosten van € 2.700,- dat in de eindafrekening in mindering is gebracht op het achterstallig loon, dient immers niet te worden gezien als een uitvloeisel van dit studiekostenbeding, maar als een bedrag dat appellant volgens [werkgever 3 B.V.] haar schuldig zou zijn op grond van schuldoverneming.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn aanvraag ten onrechte is afgewezen, omdat hij van [werkgever 3 B.V.] achterstallig loon heeft te vorderen. Volgens appellant is er met [werkgever 3 B.V.] geen afspraak gemaakt over terugbetaling van het bedrag van € 2.700,- dat [werkgever 3 B.V.] aan [werkgever 2 B.V.] heeft betaald. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de zijde van [werkgever 3 B.V.] niet is voldaan aan de vereisten van schuldoverneming op grond van de van toepassing zijnde bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek (BW). [werkgever 3 B.V.] heeft de schuld van appellant voldaan aan [werkgever 2 B.V.] en daarmee is de schuld afgelost. Er is geen schriftelijk bewijs van een schuldovername of een lening op basis waarvan [werkgever 3 B.V.] tot verrekening kon overgaan. Aangenomen moet daarom worden dat de kantonrechter de vordering van appellant zou hebben toegewezen als [werkgever 3 B.V.] niet failliet was verklaard.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het toepasselijke wettelijk kader wordt verwezen naar de overwegingen onder 4.1 en 4.2 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

Het geschil in hoger beroep is beperkt tot de vraag of de vordering van appellant op de werkgever, die ziet op achterstallig loon volgens de onder 1.4 weergegeven niet in geschil zijnde eindafrekening, voldoende duidelijk en niet aan gerede twijfel onderhevig is. Daarbij wordt niet betwist het oordeel van de rechtbank dat het met de vordering van appellant gemoeide bedrag van € 2.700,- niet kan worden gezien als uitvloeisel van het studiekostenbeding dat is opgenomen in de arbeidsovereenkomst tussen appellant en [werkgever 3 B.V.] .

4.3.

Ter zitting heeft het Uwv zich nader op het standpunt gesteld dat in dit geval niet aan de in het BW neergelegde vereisten voor een schuldovername of overname van een vordering is voldaan. Dit betekent dat niet is gebleken van aanspraken van [werkgever 3 B.V.] met betrekking tot de terugbetaling van een door [werkgever 3 B.V.] van appellant overgenomen studieschuld of overgenomen vordering op appellant, die verrekening met het nog aan appellant verschuldigde achterstallig loon rechtvaardigen. Dit leidt tot de conclusie dat in dit geval de vordering van appellant, anders dan in de door het Uwv genoemde uitspraak van de Raad van 26 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX8778 het geval was, niet aan gerede twijfel onderhevig is en voor toewijzing in aanmerking komt.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het beroep zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden vernietigd. Voorts is er aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb te bepalen dat appellant in aanmerking komt voor een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW ter hoogte van € 2.700,-.

4.5.

Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.050,- voor de verleende rechtsbijstand in beroep en € 1.050,- voor de verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 2.100,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 2 oktober 2018;

- herroept het besluit van 24 april 2018;

- kent aan appellant een uitkering als bedoeld in hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet toe ter hoogte van € 2.700,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 2.100,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 174,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Schoneveld als voorzitter en S. Wijna en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2020.

(getekend) M. Schoneveld

(getekend) D.S. Barthel