Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2793

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2020
Datum publicatie
16-11-2020
Zaaknummer
19/1392 WAZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan de orde is de afwijzing van een verzoek om terug te komen van het besluit van 2 mei 2006, waarbij de aanvraag voor een WAZ-uitkering is afgewezen. Het standpunt van appellant dat een volledige inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden en het bestreden besluit moet worden getoetst als ware het een besluit op een eerste aanvraag, wordt niet gevolgd. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Voorts wordt met de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat appellant ten tijde van zijn WAZ-beoordeling in 2006 geen klachten van reuma, artrose met fibromyalgie, spierdystrofie en astmatische bronchitis heeft gemeld. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Er is voorts geen aanleiding om te oordelen dat de afwijzing van de herhaalde aanvraag evident onredelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 1392 WAZ

Datum uitspraak: 12 november 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 13 februari 2019, 18/1108 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.T. Ghaffari, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 20 augustus 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ghaffari. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was meewerkend eigenaar/directeur van een uitgeverij. In december 2005 heeft appellant een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) aangevraagd wegens sinds 28 juni 2004 bij hem bestaande nek-, schouder en rugklachten. In dat kader heeft een verzekeringsarts het dossier van appellant bestudeerd, appellant op 26 januari 2016 op het spreekuur gezien, hem lichamelijk en psychisch onderzocht en informatie bij neuroloog dr. H.L. van der Wiel opgevraagd. Vervolgens heeft de verzekeringsarts beperkingen vastgesteld, rekening houdend met de diagnoses cervicobrachiaal syndroom en chronische aspecifieke rugklachten na een hernia. De beperkingen zijn in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 maart 2006 vastgesteld in de rubrieken aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen. Voor een urenbeperking heeft de verzekeringsarts geen aanleiding gezien. Een arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat uitgaande van de belastbaarheid in de FML, appellant geschikt is voor het eigen werk. Daarnaast heeft de arbeidsdeskundige functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op minder dan 25%. Het Uwv heeft bij besluit van 2 mei 2006 de aanvraag om een WAZ-uitkering afgewezen, omdat appellant vanaf 28 juni 2004 niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest en omdat appellant in elk geval vanaf 26 juni 2005 voor minder dan 25% arbeidsongeschikt is. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt, zodat het in rechte vaststaat.

1.2.

Bij besluit van 14 augustus 2007 heeft het Uwv opnieuw geweigerd aan appellant een WAZ-uitkering toe te kennen. Ook tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

1.3.

Appellant heeft op 21 december 2017 herziening van het besluit van 2 mei 2016 verzocht, waarbij appellant medische informatie heeft ingebracht. Bij besluit van 18 januari 2018 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van het besluit van 2 mei 2006, omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die er toe leiden dat het besluit van 2 mei 2006 onjuist zou zijn. Aan dit besluit ligt een rapport van een arts van het Uwv van 15 januari 2018 ten grondslag.

1.4.

Bij besluit van 28 maart 2018 (bestreden besluit) is het door appellant tegen het besluit van 18 januari 2018 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan ligt een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 maart 2018 ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv terecht het herzieningsverzoek heeft afgewezen, omdat appellant bij zijn herzieningsverzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor zover appellant heeft gesteld dat hij vanwege detentie destijds geen bezwaar heeft kunnen maken tegen het besluit van 2 mei 2006 heeft de rechtbank appellant niet gevolgd. Appellant had via zijn advocaat actie kunnen ondernemen om bezwaar te maken dan wel na afloop van zijn detentie in augustus 20016 alsnog bezwaar kunnen maken.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat zijn herzieningsverzoek ten onrechte is afgewezen. Het Uwv heeft ten onrechte gesteld dat appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan zijn herzieningsverzoek ten grondslag heeft gelegd.

Appellante heeft in dit verband gewezen op een brief van neuroloog dr. Van der Kamp van 26 augustus 2015, waaruit blijkt dat de rechterarm van appellant slechts beperkt belastbaar is. De informatie van neuroloog Van der Wiel sluit hierbij aan. De brief van neuroloog Van der Kamp geldt, bezien in samenhang met de informatie van neuroloog Van der Wiel, volgens appellant als een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Gelet hierop zijn ten onrechte geen beperkingen in verband met de armklachten aangenomen en kan appellante niet in staat worden geacht zijn eigen werk dan wel de indertijd geduide functies te verrichten. Verder heeft appellant erop gewezen dat hij in het kader van particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek voor 50% arbeidsongeschikt is geacht en dat aan hem een uitkering op grond van deze particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering is toegekend. Deze mate van arbeidsongeschiktheid wijkt aanzienlijk af van de door het Uwv vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 8,98%, terwijl beide beoordelingen gebaseerd zijn op dezelfde medische informatie.

3.2.

Verder blijkt uit de bij het verzoek overgelegde medische stukken, die gelet op de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgens appellant ten volle door het Uwv zijn beoordeeld, dat appellant naast nek-, schouder-, rugklachten, ook klachten heeft van fibromyalgie en/of artrose, hand/polsklachten, klachten van spierdystrofie en astmatische bronchitis. Deze klachten bestonden ten tijde van de WAZ-beoordeling ook al. Met deze klachten zijn in de FML van 26 januari 2006 ten onrechte geen of onvoldoende rekening gehouden. Met de klachten kan appellant zijn eigen werk noch de hem geselecteerde functies verrichten.

3.3.

Appellant heeft destijds geen bezwaar tegen het besluit van 2 mei 2006 kunnen maken, omdat hij gedetineerd was. Eerst in augustus 2006, na de bezwaartermijn, is hij vrij gekomen en eerst toen heeft hij een gemachtigde ingeschakeld. Om deze reden heeft hij de door hem naar voren gebrachte standpunten en medische stukken, eerst bij zijn herzieningsverzoek naar voren kunnen brengen.

3.4.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Aan de orde is de afwijzing van een verzoek om terug te komen van het besluit van

2 mei 2006, waarbij de aanvraag voor een WAZ-uitkering is afgewezen. Met zijn uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft de Raad zijn rechtspraak over de toetsing van de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. Dit houdt in dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich bij het bestreden besluit terecht, zorgvuldig en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Als het bestreden besluit die toets kan doorstaan, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (zie de uitspraak van de Raad van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5155).

4.2.

Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb worden verstaan feiten en omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijstukken van al eerder gestelde feiten en omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.3.

Het standpunt van appellant dat een volledige inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden en het bestreden besluit moet worden getoetst als ware het een besluit op een eerste aanvraag, wordt niet gevolgd. Het feit dat de door appellant bij zijn verzoek ingebrachte medische stukken zijn voorgelegd aan een arts van het Uwv en in bezwaar aan een verzekeringsarts bezwaar en beroep, betekent niet dat sprake is geweest van een volledig inhoudelijke beoordeling als ware het een eerste aanvraag. Uit het rapport van de verzekeringsarts van 15 januari 2018 en de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 maart 2018, 14 september 2018, 16 oktober 2018, 31 oktober 2018 en 12 december 2018, blijkt dat het Uwv enkel heeft beoordeeld of de in 2017 ingebrachte medische informatie moet worden aangemerkt als nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden. Zoals het Uwv ter zitting heeft bevestigd, is de door appellant overgelegde medische informatie bezien binnen het beoordelingskader van artikel 4:6 van de Awb.

4.4.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De informatie van neuroloog Van der Kamp leidt niet tot een ander oordeel. Tijdens het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 26 januari 2016 zijn de armklachten lichamelijk onderzocht, waarbij tevens zijn armen, zowel wat betreft bewegingen als wat betreft kracht, zijn onderzocht. Daarbij zijn geen afwijkingen gevonden. Zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht heeft geoordeeld, blijkt uit de door appellante ingebrachte medische informatie niet evident dat sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten aanzien van de armklachten.

4.5.

Voorts wordt met de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat appellant ten tijde van zijn WAZ-beoordeling in 2006 geen klachten van reuma, artrose met fibromyalgie, spierdystrofie en astmatische bronchitis heeft gemeld. Ook uit het rapport van de verzekeringsarts van 26 januari 2006 en uit de overgelegde medische informatie van de specialisten is niet aannemelijk geworden dat genoemde klachten reeds in 2006 aanwezig waren. De diabetes mellitus type 1 en arm-, hand en polsklachten waren wel reeds bekend, maar deze aandoeningen hebben niet geleid tot beperkingen in de FML. Tot slot heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep er terecht op gewezen dat de uitkering op basis van een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering een ander beoordelingskader heeft dan de WAZ-beoordeling en reeds daarom geen nieuw feit of veranderde omstandigheid vormt als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Op grond van de beschikbare medische gegevens kunnen deze bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet voor onjuist worden gehouden.

4.6.

De grond van appellant dat hij de stukken die hij ten grondslag heeft gelegd aan zijn herzieningsverzoek niet eerder had kunnen inbrengen, omdat hij indertijd gedetineerd was, behoeft geen bespreking, omdat het Uwv alle door appellant bij het verzoek en in bezwaar overgelegde stukken heeft beoordeeld.

4.7.

De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Er is voorts geen aanleiding om te oordelen dat de afwijzing van de herhaalde aanvraag evident onredelijk is.

4.8.

Omdat geen aanleiding bestaat om terug te komen van het besluit van 2 mei 2006, waarbij een WAZ-uitkering met ingang van 28 juni 2004 is geweigerd, omdat appellant de wachttijd niet heeft voltooid, behoeft geen beoordeling van eventuele WAZ-aanspraken voor de toekomst plaats te vinden. De WAZ is immers op 1 augustus 2004 afgeschaft en appellant kan vanaf die datum geen verzekering aan de WAZ meer ontlenen.

4.9.

De overwegingen in 4.1 tot en met 4.8 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van L.E. König als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2020.

(getekend) M.E. Fortuin

De griffier is verhinderd te ondertekenen.