Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2789

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-11-2020
Datum publicatie
12-11-2020
Zaaknummer
19/2385 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht WIA-uitkering beëindigd. De verzekeringsarts heeft alle door de -door de rechtbank geraadpleegde- deskundige noodzakelijk geachte aanpassingen overgenomen in een FML. Geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid van appellante. Vgemotiveerd dat de geduide functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2385 WIA

Datum uitspraak: 11 november 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

9 mei 2019, 18/651 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. van Deuzen, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om schadevergoeding ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Deuzen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Ait-Moha.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft gewerkt als verzorgende voor 32 uur per week bij [Stichting]

(ex-werkgever). Zij is in 2013 uitgevallen vanwege enkelklachten, dystrofie, fibromyalgie en knieklachten. Per einde wachttijd heeft het Uwv met ingang van 11 mei 2016 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aan appellante toegekend. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 80 tot 100%.

1.2.

Bij besluit van 1 maart 2017 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat haar loongerelateerde WGA-uitkering met ingang van 11 mei 2017 wordt beëindigd en dat per die datum een WGA-loonaanvullingsuitkering wordt toegekend. De ex-werkgever heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.3.

Bij brief van 27 november 2017 heeft het Uwv appellante van het voornemen tot wijziging van het besluit van 1 maart 2017 in kennis gesteld. Appellante heeft bij brief van

7 december 2017 op dit voornemen gereageerd.

1.4.

Bij besluit van 9 januari 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van de ex‑werkgever tegen het besluit van 1 maart 2017 gegrond verklaard. Het Uwv heeft appellante meegedeeld dat de WGA-loonaanvullingsuitkering met ingang van 21 februari 2018 wordt beëindigd, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 11 mei 2017 minder dan 35% bedraagt. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 november 2017 en 20 december 2017 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 7 november 2017 ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft na onderzoek van appellante en op basis van dossieronderzoek aanleiding gevonden om in de FML van 1 november 2017 een urenbeperking van vier uur per dag en twintig uur per week niet meer te handhaven. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens zes functies geselecteerd en op basis van drie functies met de hoogste lonen een mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld van minder dan 35%.

2.1.

Appellante heeft beroep ingesteld en ter ondersteuning medische informatie ingezonden. Het Uwv heeft in reactie rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van

28 februari 2018, 18 april 2018 en 13 juni 2018 overgelegd.

2.2.

De rechtbank heeft ten behoeve van haar oordeelsvorming verzekeringsarts

M. Wolff-van der Ven als deskundige benoemd. Deze arts heeft op 7 januari 2019 een rapport uitgebracht, waarin zij op basis van eigen onderzoek en de beschikbare medische gegevens aanleiding heeft gevonden voor enige aanpassingen in de door het Uwv vastgestelde FML van

1 november 2017.

2.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de door deskundige vastgestelde beperkingen overgenomen in een FML van 16 januari 2019. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van deze FML de functies samensteller electronische apparatuur, wikkelaar (SBC-code 267050), administratief medewerker (document scannen) (SBC-code 315133) en receptionist (SBC-code 315120) geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld van 29,85%.

2.4.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven en daarbij bepalingen gegeven over vergoeding van griffierecht en proceskosten. Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijk, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. De rechtbank heeft geoordeeld dat deze situatie zich hier voordoet. Het door de deskundige uitgebrachte rapport heeft blijkt gegeven van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft in het rapport aan de hand van de onderzoeksbevindingen en alle (medische) stukken gemotiveerd uiteengezet dat appellante op onderdelen meer beperkt zou moeten worden geacht dan door het Uwv is aangenomen en dat een urenbeperking niet aan de orde is. Tegenover het rapport van de deskundige heeft de rechtbank in wat appellante naar voren heeft gebracht en aan stukken heeft overgelegd, geen onderbouwing van haar stelling gezien dat zij meer beperkt is dan nu wordt aangenomen. Het Uwv heeft de conclusie van de deskundige overgenomen en verwerkt in de FML van 16 januari 2019. Appellante moet daarom op de datum in geding in staat worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor haar vastgestelde belastbaarheid zoals verwoord in de FML. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft rekening gehouden met de gewijzigde FML in beroep en passende functies geselecteerd. Appellante heeft de geschiktheid van deze functies niet betwist. De rechtbank heeft geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 18 januari 2019 voldoende heeft gemotiveerd dat de geduide functies, rekening houdend met de beperkingen van appellante, geschikt zijn voor appellante en haar belastbaarheid niet te boven gaan. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv zich bij het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante per 11 mei 2017 minder dan 35% arbeidsongeschikt is en zij met ingang van 21 februari 2018 geen recht meer heeft op een WGA‑loonaanvullingsuitkering. Omdat de grondslag van het bestreden besluit in beroep is aangepast heeft de rechtbank dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten.

3.1.

Appellante is van mening dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Zij heeft aangevoerd dat zij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen en dat zij niet in staat is de geselecteerde functies te verrrichten. Appellante heeft erop gewezen dat haar klachten onder meer voortkomen uit de ziekte fibromyalgie en dat de verzekeringsartsen deze ziekte en de daaruit voortvloeiende beperkingen hebben miskend. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante algemene informatie over de ziekte fibromyalgie en informatie van de revalidatiearts, oefentherapeut en huisarts uit 2019 in geding gebracht.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

In geschil is de vraag of het Uwv terecht de WIA-uitkering van appellante met ingang van 21 februari 2018 heeft beëindigd, omdat haar mate van arbeidsongeschiktheid minder bedraagt dan 35%.

4.2.

De rechtbank heeft met juistheid gewezen op het volgens vaste rechtspraak geldende uitgangspunt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijk, door hem ingeschakelde deskundige volgt indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend overkomt. Met de rechtbank wordt overwogen dat er geen aanleiding bestaat om het rapport van verzekeringsarts Wolff-van der Ven van 7 januari 2019 niet te volgen. De deskundige heeft appellante onderzocht en heeft inzichtelijk de klachten van appellante en de aanwezige medische informatie besproken. De deskundige heeft niet kunnen instemmen met de vaststelling van de belastbaarheid van appellante door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De deskundige heeft een aantal aanpassingen in de rubrieken III, IV, V en VI van de FML noodzakelijk geacht. De deskundige heeft evenwel geen aanleiding gezien voor een verdergaande urenbeperking dan aangenomen in de FML van 1 november 2017.

4.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft alle door de deskundige noodzakelijk geachte aanpassingen overgenomen in een FML van 16 januari 2019. Gelet op het overwogene onder 4.2 betekent dit dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid van appellante. Het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. Het standpunt van appellante dat de verzekeringsartsen haar klachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen hebben miskend, slaagt dus niet. De verwijzing ter zitting van appellante naar algemene informatie over de ziekte fibromyalgie leidt niet tot een ander oordeel. Deze informatie heeft geen betrekking op appellante en daar volgt dus niet uit dat voor appellante meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen. Ook de informatie van de revalidatiearts, oefentherapeut en huisarts geeft geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel en de vastgestelde beperkingen op de datum in geding.

4.4.

De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd voor zover aangevochten. Gelet op dit oordeel bestaat er geen grond om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade, zodat het daartoe strekkende verzoek zal worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2020.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) D.S. Barthel