Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2771

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-11-2020
Datum publicatie
11-11-2020
Zaaknummer
19/127 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering een WAO-uitkering toe te kennen. Niet is gebleken of op enige wijze aannemelijk geworden dat appellant vanaf 16 april 2003 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest en dat hij ten tijde van het einde van de wachttijd op 13 maart 2004 nog steeds arbeidsongeschikt was. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk en goed gemotiveerd geconcludeerd dat op grond van de door appellant in hoger beroep ingebrachte medische stukken niet aannemelijk is gemaakt dat appellant al in 2004 PTSS-klachten had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 127 WAO

Datum uitspraak: 5 november 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

6 december 2018, 18/2470 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.M. Hueting, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2020. Namens appellant is verschenen mr. Hueting. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Breevoort.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als beroepsmilitair bij de [onderdeel] , eerst als militair chauffeur en later als planner. Op 16 april 2003 heeft hij zich ziek gemeld wegens lichamelijke en psychische klachten. Hij is eerst volledig arbeidsongeschikt geacht en per 6 februari 2004 voor 50%. Met ingang van 1 februari 2004 is aan appellant eervol ontslag verleend. Omdat hij toen nog ongeschikt was voor zijn werk, hield appellant recht op doorbetaling van zijn bezoldiging op grond van artikel 120 van het Algemeen militair ambtenarenreglement. Met ingang van 15 maart 2004 is appellant door de bedrijfsarts hersteld verklaard, maar na een bezwaarprocedure is dit besluit herroepen. Appellant heeft vervolgens niet meer in loondienst gewerkt. Appellant heeft na het einde van zijn dienstverband een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet en een bijstandsuitkering ontvangen.

1.2.

Op 29 januari 2017 heeft appellant een aanvraag bij het Uwv ingediend voor een

arbeidsongeschiktheidsuitkering met terugwerkende kracht.

1.3.

Appellant is op 20 juni 2017 verschenen op het spreekuur van een arts van het Uwv.

De arts heeft niet kunnen vaststellen of in de periode vanaf 2004 tot 2017 sprake is geweest van onafgebroken arbeidsongeschiktheid. Bij besluit van 17 juli 2017 heeft het Uwv geweigerd appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, omdat niet kan worden vastgesteld dat appellant 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest vanaf 16 april 2003.

1.4.

Het door appellant tegen het besluit van 17 juli 2017 gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 8 maart 2018 (bestreden besluit). Aan dit besluit ligt een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 maart 2018 ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanleiding gezien om af te wijken van het standpunt van de primaire arts. De door appellant in bezwaar ingebrachte medische gegevens bevatten geen informatie die ziet op eventuele klachten, beperkingen of behandelingen in de periode 2003 tot 2017. Hieruit volgt dat niet kan worden vastgesteld dat appellant vanaf 16 april 2003 onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het

bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn onderzoek alle beschikbare relevante medische gegevens betrokken bij zijn beoordeling. De beroepsgronden van appellant bieden geen aanleiding om de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. De rechtbank heeft met het Uwv geconcludeerd dat over de periode van 2004 tot 2017 geen objectieve medische gegevens bestaan, zodat niet kan worden vastgesteld dat bij appellant sprake is van doorlopende arbeidsongeschiktheid. Nu het om een laattijdige aanvraag gaat, komt het risico dat door het tijdsverloop de medische situatie niet meer is vast te stellen voor rekening van appellant.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij in de periode van 2004 tot 2017 wel arbeidsongeschikt was. Er zijn inderdaad geen medische gegevens over deze periode, maar dat komt omdat appellant in deze periode werd ondersteund door zijn moeder en zij hem heeft aangeraden niet naar een arts te gaan. Na het overlijden van de moeder van appellant op 11 januari 2017 werd duidelijk dat het niet goed ging met appellant en is hij in behandeling gegaan voor zijn PTSS. In de periode van 2004 tot 2017 was de PTSS, ontstaan door een oorlogstrauma in Bosnië, ook aanwezig, maar onbehandeld gebleven. Appellant is in 2004 arbeidsongeschikt geraakt door deze PTSS en lijdt hier nog steeds aan. Aan appellant is met ingang van 15 maart 2017 een militair invaliditeitspensioen toegekend. Hiermee staat vast dat de ziekte die appellant had ten tijde van het uit dienst gaan heeft geleid tot een invaliditeitspensioen in 2019. In hoger beroep heeft appellant nadere medische stukken ten behoeve van zijn aanvraag voor een militair invaliditeitspensioen, waaronder een psychiatrisch rapport van psychiater prof. em. dr. H.J.C. van Marle van 9 april 2019 ingebracht. Daarnaast heeft appellant gewezen op een brief van de verzekeringsarts van het ABP van 24 november 2004, waarin de verzekeringsarts heeft vermeld dat het advies dat appellant met ingang van 15 maart 2014 weer arbeidsgeschikt is niet kan worden gehandhaafd. Verder heeft appellant een verklaring van hemzelf en zijn zus over zijn situatie ingebracht.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Op grond van artikel 19 van de WAO (geldend tot 1 januari 2004) heeft de verzekerde recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering zodra hij 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is.

4.2.

Omdat appellant op 29 januari 2017 een uitkering heeft aangevraagd in verband met een in 2003 ingetreden arbeidsongeschiktheid, is sprake van een laattijdige aanvraag. Vaste rechtspraak is dat het risico dat de medische situatie niet meer met zekerheid is vast te stellen bij een laattijdige aanvraag bij de aanvrager ligt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 6 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4200). Hieruit volgt dat het aan appellant is om, met medisch objectiveerbare stukken, aannemelijk te maken dat hij de wachttijd voor de WAO van 52 weken heeft doorlopen doordat hij na 16 april 2003 onverminderd arbeidsongeschikt is gebleven.

4.3.

Niet is gebleken of op enige wijze aannemelijk geworden dat appellant vanaf 16 april 2003 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest en dat hij ten tijde van het einde van de wachttijd op 13 maart 2004 nog steeds arbeidsongeschikt was. Hoewel uit de stukken valt af te leiden dat appellant op 16 april 2003 is uitgevallen met psychische klachten, indertijd aangeduid als een milde depressie, en maagklachten, ontbreekt in het dossier objectieve medische informatie over appellant vanaf 2004, die erop duidt dat appellant vanaf dat moment nog arbeidsongeschikt was. Dat de hersteldmelding van 15 maart 2004 later is herroepen door de verzekeringsarts van het ABP doet daar niet aan af, omdat deze beslissing niet is gebaseerd op medische gegevens.

4.4.

Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in hoger beroep in de rapporten van 26 april 2019 en 17 maart 2020 inzichtelijk en goed gemotiveerd geconcludeerd dat op grond van de door appellant in hoger beroep ingebrachte medische stukken niet aannemelijk is gemaakt dat appellant al in 2004 PTSS-klachten had, te meer nu psychiater P.P. Sanders, die appellant op 5 augustus 2003 heeft gezien, in zijn brief van 6 augustus 2003 deze diagnose niet heeft gesteld noch PTSS-klachten heeft beschreven. Deze stukken zijn dan ook voor het Uwv geen aanleiding geweest voor een ander oordeel. De Raad kan dit standpunt volgen. De door appellant in hoger beroep ingebrachte verklaringen van hemzelf en van zijn zus leiden evenmin tot een ander oordeel. Deze verklaringen kunnen niet als objectieve medische informatie worden aangemerkt.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van L.E. König als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2020.

(getekend) M.E. Fortuin

De griffier is verhinderd te ondertekenen.