Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2760

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-11-2020
Datum publicatie
10-11-2020
Zaaknummer
19/2835 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht geweigerd WIA-uitkering toe te kennen. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de getrokken conclusie door de verzekeringsarts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2835 WIA

Datum uitspraak: 6 november 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 21 mei 2019, 18/1809 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.H. Smit hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. H.G. van den Berg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.K. Affia. Namens werkgever [naam werkgever B.V.] is niemand verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als hulpmonteur productie voor 39,77 uur per week. Op 31 maart 2014 heeft appellant zich ziek gemeld.

1.2.

Bij besluit van 13 oktober 2016 heeft het Uwv geweigerd om aan appellant een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat appellant met ingang van 22 augustus 2016 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 oktober 2016 is bij beslissing op bezwaar van 1 maart 2017 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 17 november 2017, 17/885, heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. De Raad heeft de uitspraak van de rechtbank bij uitspraak van heden bevestigd.

1.3.

Met een formulier gedateerd 8 december 2017 heeft appellant zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld met ingang van 1 februari 2017. Op 5 februari 2018 heeft de verzekeringsarts gerapporteerd. Deze heeft geconcludeerd dat geen sprake is van een toename van beperkingen die (in overwegende mate) voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak. Bij besluit van 7 februari 2018 heeft het Uwv geweigerd appellant per 1 februari 2017 in aanmerking te brengen voor een WIA-uitkering. Bij beslissing op bezwaar van

10 augustus 2018 (bestreden besluit) is het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Uwv een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag gelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is er geen aanleiding voor twijfel aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat voor zover per einde wachttijd (op 22 augustus 2016) sprake was van hielspoor, dit toen geen rol heeft gespeeld bij de beoordeling van de belastbaarheid van appellant. Appellant heeft de hielspoorklachten niet genoemd tijdens de medische beoordelingen en zijn fysiotherapeut evenmin. Appellant heeft wel hielspoor genoemd in een eerdere bezwaarprocedure, maar de klachten hebben geen rol gespeeld per einde wachttijd. Voorts is de psychische situatie van appellant nagenoeg hetzelfde gebleven en heeft appellant zijn standpunt dat zijn psychische klachten zijn toegenomen niet (medisch objectief) onderbouwd met stukken.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij een chronische ziekte heeft die al aanwezig was per einde wachttijd. Voorts is ten onrechte aangenomen dat geen sprake is van toegenomen psychische klachten. Appellant is en was niet in staat om de geduide functies uit te oefenen. Appellant heeft een beroep gedaan op het Verdrag van New York van 13 december 2006, inzake de rechten van personen met een handicap, Trb. 2007, 169 (VN‑Gehandicaptenverdrag) en op de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz) omdat ten onrechte geen rekening is gehouden met zijn chronische hielspoorklachten en dit doorwerkt in zijn huidige dienstverband waarin hij vaak te zwaar lichamelijk werk moet verrichten. Ter zitting van de Raad heeft appellant zich voorts op het standpunt gesteld dat de wettelijke drempel van minimaal 35% arbeidsongeschiktheid om in aanmerking te komen voor een WIA-uitkering in strijd is met het Verdrag 121 betreffende de prestaties bij arbeidsongevallen en beroepsziekten van 8 juli 1964 (ILO-Verdrag 121).

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Voor de toepasselijke wettelijke bepaling wordt verwezen naar overweging 4.1 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

De medische gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de getrokken conclusie door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank heeft de beroepsgronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven en maakt de Raad tot de zijne. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

4.3.

Bij de lichamelijke onderzoeken van appellant in 2015 en 2016 zijn geen beperkingen als gevolg van hielspoor geconstateerd. Uit het door appellant overgelegde overzicht van zijn fysiotherapeut blijkt dat appellant tussen 2012 en 2017 niet werd behandeld voor hielspoor. Bij de beoordeling per einde wachttijd heeft appellant deze klachten ook niet genoemd. Hieruit kan dus niet worden geconcludeerd dat het Uwv bij de beoordeling van appellant zijn arbeidsongeschiktheid ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de hielspoorklachten. Reeds daarom kan het beroep van appellant op het VN-Gehandicaptenverdrag niet slagen. De grond van appellant dat het besluit in strijd is met de Wgbh/cz slaagt evenmin. De Wgbh/cz is niet van toepassing op de vaststelling van socialezekerheidsuitkeringen (zie de uitspraak van 13 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1598).

4.4.

Pas op de zitting van de Raad heeft appellant een beroep gedaan op het ILO Verdrag 121. Hierdoor was het voor het Uwv niet goed mogelijk om hiertegen verweer te voeren. De Raad is niet gebleken dat appellant niet eerder een gemotiveerd beroep had kunnen doen op dit verdrag. De Raad laat deze hoger beroepsgrond daarom wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet op dit oordeel zal het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van M. Géron als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2020.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) M. Géron