Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2741

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-11-2020
Datum publicatie
19-11-2020
Zaaknummer
16/2910 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Sociale Verzekeringsbank heeft terecht de Nederlandse socialezekerheidswetgeving toegepast op internationale vrachtwagenchauffeurs met een arbeidscontract bij een bedrijf in Cyprus. Nederlandse vervoersondernemingen zijn namelijk de werkgever waar de chauffeurs voor werken. Dit oordeel volgt uit de uitspraak van het Hof van Justitie van de EU van 16 juli 2020.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/2835
Viditax (FutD), 19-11-2020
FutD 2020-3472
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2910 AOW e.v.

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 maart 2016, 14/5265 e.a. (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[naam bedrijf] Ltd . te Cyprus ( [naam bedrijf] ) en 7 van de 38 betrokkenen, zoals vermeld in de bij deze uitspraak behorende bijlage 1 (appellanten)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

[betrokkene 5] te [woonplaats] (derde-partij)


de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)

Datum uitspraak: 19 november 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.J. van Dam, advocaat, bij de Raad 45 in bijlage 1 bij deze uitspraak nader aangeduide hoger beroepen ingesteld tegen de aangevallen uitspraak1. Deze hoger beroepen zijn gevoegd. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Van de 31 betrokkenen die niet zelf beroep hebben doen instellen, heeft er een gebruik gemaakt van de door de Raad geboden gelegenheid om op de voet van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) als derde-partij aan de procedure deel te nemen.

Naar aanleiding van het verzoek van appellanten om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

Op 8 december 2017 heeft onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Daarbij is mr. Van Dam verschenen voor appellanten. Voorts is [naam 2] ( [naam 2] ) verschenen als informant. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg,
H. van der Most en mr. M.M.T. Wickenhagen. Het onderzoek ter zitting is op 8 december 2017 geschorst. Daarbij is bepaald dat het vooronderzoek werd hervat.

In verband met het voornemen om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) een verzoek om een prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 267 van het VWEU2 te doen, is aan partijen een concept‑geschilafbakening gezonden. Hierop hebben partijen gereageerd.

Vervolgens is aan partijen een concept-vraagstelling gezonden waarop zij eveneens hebben gereageerd.


Bij verzoek van 20 september 2018 heeft de Raad een prejudiciële vraagstelling voorgelegd aan het Hof (verwijzingsbeslissing).3 In reactie hierop heeft het Hof op 16 juli 2020 arrest gewezen.4 Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om schriftelijk op dit arrest te reageren. Van deze gelegenheid heeft de Svb gebruik gemaakt.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 8 oktober 2020. Namens appellanten is mr. Van Dam verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg, mr. G.J. Oudenes en H. van der Most.

OVERWEGINGEN


Voor een uitgebreide weergave van de voorgeschiedenis en het toepasselijke rechtskader verwijst de Raad naar de verwijzingsbeslissing. De Raad brengt het volgende in herinnering.

1. Inleiding

1.1. Betrokkenen woonden in Nederland en werkten voor in Nederland gevestigde vervoersondernemingen (vervoersondernemingen) als vrachtwagenchauffeur in het internationale wegtransport. Daarbij plachten zij hun werkzaamheden te verrichten in twee of meer lidstaten van de Europese Unie (EU) of de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA). Zij waren wel voor een gedeelte, maar niet in hoofdzaak of voor een substantieel gedeelte werkzaam in Nederland.

1.2. Op 10 mei 2011 is in Cyprus [naam bedrijf] opgericht. [naam bedrijf] heeft zowel met de vervoersondernemingen waarvoor betrokkenen werkten als met betrokkenen overeenkomsten gesloten. Op grond van de overeenkomsten tussen [naam bedrijf] en de vervoersondernemingen waren de vervoersondernemingen bepaalde bedragen verschuldigd aan [naam bedrijf] , terwijl [naam bedrijf] aan betrokkenen een salaris betaalde en de daarover verschuldigde premies afdroeg aan de Social Insurance Services te Cyprus. De tussen [naam bedrijf] en betrokkenen gesloten overeenkomsten zijn aangeduid als arbeidsovereenkomsten.

1.3. Appellanten stellen zich op het standpunt dat [naam bedrijf] gedurende de in bijlage 1 aangeduide periodes (de periodes in geding), waarin zij op de loonlijst van [naam bedrijf] stonden, was aan te merken als de werkgever van betrokkenen en dat op betrokkenen sindsdien de socialezekerheidswetgeving (wetgeving) van Cyprus van toepassing was. De Svb betwist dat. De periodes in geding liggen alle tussen 1 oktober 2011 en 26 mei 2015.


2. De bestreden besluiten

2.1. [naam bedrijf] heeft de Svb in de periode van januari 2012 tot en met mei 2013 verzocht om te bevestigen dat op betrokkenen de Cypriotische wetgeving van toepassing is over periodes waarin zij volgens de opgave van [naam bedrijf] in loondienst van [naam bedrijf] als internationaal vrachtwagenchauffeur werken. Daarbij is te kennen gegeven dat betrokkenen in Nederland wonen, dat zij hun werkzaamheden plegen te verrichten in twee of meer lidstaten van de EU of de EVA en dat zij niet een substantieel gedeelte van hun werkzaamheden verrichten in Nederland.

2.2. De Svb heeft bij besluiten van 2 oktober 2013 de wetgeving van Nederland op betrokkenen van toepassing verklaard over periodes waarin [naam bedrijf] zich presenteert als de werkgever van betrokkenen.

2.3. Appellanten hebben tegen de onder 2.2 vermelde besluiten bezwaar gemaakt. Deze bezwaren heeft de Svb bij besluiten van 9 juli 2014 (bestreden besluiten) ongegrond verklaard. Daartoe is, voor zover nu nog van belang, overwogen dat niet [naam bedrijf] , maar de vervoersonderneming waarvoor een betrokkene werkzaam is, moet worden beschouwd als zijn werkgever.

3. Uitspraak van de rechtbank

Appellanten hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Deze beroepen zijn bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank verwezen naar artikel 13, eerste lid, aanhef en sub b, van de basisverordening5 en naar artikel 14, tweede lid, aanhef en sub a, van Vo 1408/716. Uit wat bij de rechtbank ter zitting is besproken heeft de rechtbank afgeleid dat de toetsing van de bestreden besluiten kon worden beperkt tot de periode oktober 2011 tot en met december 2012, en in een tweetal zaken tot de periode oktober 2011 tot oktober 2012.

4. Prejudiciële vraagstelling en antwoord van het Hof

4.1. In de verwijzingsbeslissing is de Raad op basis van het dossier, het verhandelde ter zitting van de Raad van 8 december 2017 en de daarna nog door partijen ingediende stukken, ervan uitgegaan dat betrokkenen gedurende de periodes in geding feitelijk voor onbepaalde tijd volledig ter beschikking stonden van de vervoersondernemingen, waarbij zij in tenminste een aanzienlijk aantal gevallen voorafgaand aan de periodes in geding in loondienst waren. Na de tussenkomst van [naam bedrijf] veranderde wat betreft de dagelijkse gang van zaken niets of weinig in de relatie tussen betrokkenen en de vervoersondernemingen. Verder leidde het feit dat een in Nederland gevestigde vervoersonderneming geen gebruik meer maakte van werknemers die op de loonlijst van [naam bedrijf] stonden, in de regel tot onverwijld ontslag van deze werknemers door [naam bedrijf] .

4.2. De Raad heeft, voor zover nu nog van belang, de volgende vragen aan het Hof gesteld:

1A. Moet artikel 14, tweede lid, sub a, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 zo worden uitgelegd dat onder omstandigheden als die van de hoofdgedingen de internationaal vrachtwagenchauffeur in loondienst wordt aangemerkt als behorend tot het rijdend personeel van:

a. de vervoersonderneming die de betrokkene heeft aangeworven, waaraan de betrokkene feitelijk voor onbepaalde tijd volledig ter beschikking staat, die het feitelijke gezag over de betrokkene uitoefent en te wiens laste de loonkosten feitelijk komen, dan wel

b. de onderneming die met de vrachtwagenchauffeur formeel een arbeidsovereenkomst heeft gesloten en die volgens afspraak met de onder a. bedoelde vervoersonderneming aan de betrokkene een salaris betaalde en daarover premies afdroeg in de lidstaat waar zich de zetel van deze onderneming bevindt en niet in de lidstaat waar zich de zetel van de onder a. bedoelde vervoersonderneming bevindt;

c. zowel de onderneming onder a als de onderneming onder b?

1B. Moet artikel 13, eerste lid, sub b, van Verordening (EG) nr. 883/2004 zo worden uitgelegd dat onder omstandigheden als die van de hoofdgedingen als werkgever van de internationaal vrachtwagenchauffeur in loondienst wordt aangemerkt:

a. de vervoersonderneming die de betrokkene heeft aangeworven, waaraan de betrokkene feitelijk voor onbepaalde tijd volledig ter beschikking staat, die het feitelijke gezag over de betrokkene uitoefent en te wiens laste de loonkosten feitelijk komen, dan wel

b. de onderneming die met de vrachtwagenchauffeur formeel een arbeidsovereenkomst heeft gesloten en die volgens afspraak met de onder a. bedoelde vervoersonderneming aan de betrokkene een salaris betaalde en daarover premies afdroeg in de lidstaat waar zich de zetel van deze onderneming bevindt en niet in de lidstaat waar zich de zetel van de onder a. bedoelde vervoersonderneming bevindt;

c. zowel de onderneming onder a als de onderneming onder b?

4.3. In zijn arrest heeft het Hof voor recht verklaard:

Artikel 14, punt 2, onder a), van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 631/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004, en artikel 13, lid 1, onder b), i), van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 465/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 moeten aldus worden uitgelegd dat de werkgever – in de zin van deze bepalingen – van een internationaal vrachtwagenchauffeur de onderneming is, die het feitelijke gezag over hem uitoefent, die feitelijk de overeenkomstige loonkosten draagt en die feitelijk bevoegd is om hem te ontslaan,

en niet de onderneming waarmee die vrachtwagenchauffeur een arbeidsovereenkomst heeft gesloten en die in deze overeenkomst formeel wordt aangewezen als zijn werkgever.

Daarbij heeft het Hof overwogen dat uit de feiten en omstandigheden waarvan de Raad bij zijn prejudiciële vraagstelling is uitgegaan, volgt dat de in het hoofdgeding betrokken vrachtwagenchauffeurs tijdens de aan de orde zijnde tijdvakken lijken te hebben behoord tot het personeel van de vervoersondernemingen en dat deze vervoersondernemingen hun werkgever waren in de zin van artikel 14, punt 2, onder a), van Vo 1408/71 respectievelijk artikel 13, lid 1, onder b), van de basisverordening, zodat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving op hen van toepassing lijkt te zijn, wat niettemin door de verwijzende rechter dient te worden nagegaan.

5. Standpunten van partijen naar aanleiding van het arrest van het Hof

5.1. Appellanten blijven bij hun standpunt dat [naam bedrijf] gedurende de tijdvakken in geding moet worden beschouwd als werkgever van betrokkenen en dat de Svb ten onrechte de Nederlandse wetgeving op betrokkenen van toepassing heeft verklaard. Zij verwijzen met name naar de overgelegde arbeidsovereenkomsten tussen [naam bedrijf] en betrokkenen, naar de verklaring van [naam 2] ter zitting van 8 december 2017 en naar stukken die zij na deze zitting hebben overgelegd ter ondersteuning van die verklaring. Ter zitting van de Raad van 8 oktober 2020 hebben appellanten verder gesteld dat de Svb onvoldoende heeft onderbouwd welke betrokkene over welke periode bij welke vervoersonderneming werkte.

5.2. De Svb concludeert dat bij de bestreden besluiten op goede gronden het Nederlandse recht van toepassing is verklaard. Het is aan [naam bedrijf] en betrokkenen om aan de Svb de feitelijke informatie te verschaffen op basis waarvan de objectieve situatie van betrokkenen kan worden vastgesteld. [naam bedrijf] en betrokkenen hebben nagelaten aan de Svb concrete informatie te verstrekken over onder andere de betrokken vervoersondernemingen. Wel heeft de Svb informatie ontvangen van het Cypriotische orgaan en de Belastingdienst. Op basis van deze informatie heeft de Svb de objectieve situatie van betrokkenen zo goed mogelijk gereconstrueerd. Het is aan appellanten om te onderbouwen dat en waarom deze reconstructie niet klopt.

6. Overwegingen van de Raad

6.1. Periodes in geding

6.1.1. De Raad stelt voorop dat – zoals reeds is opgenomen in 5.1 van de verwijzingsbeslissing – de periodes waarover de E101 dan wel A1-verklaringen zijn afgegeven van geval tot geval verschillen maar geen van alle voor 1 oktober 2011 beginnen en geen van alle eindigen na 26 mei 2015. Partijen zijn het er over eens dat dit de periodes in geding zijn die beoordeeld moeten worden en dat de rechtbank haar toetsing ten onrechte heeft beperkt zoals vermeld onder 3. Ook de Raad kan uit de processen-verbaal van de zittingen bij de rechtbank niet afleiden dat partijen om een dergelijke beperking hebben verzocht. Om deze reden dient de aangevallen uitspraak in zoverre te worden vernietigd. De Raad zal hieronder, zoals door partijen voorgestaan, een oordeel geven over de tijdvakken waarop de bestreden besluiten betrekking hebben.

6.2. Bewijslastverdeling

6.2.1. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de toepassingsverordening7 zijn degenen op wie de basisverordening van toepassing is, verplicht het bevoegde orgaan alle informatie, documenten en bewijsstukken te verstrekken die nodig zijn voor de vaststelling van onder andere de toepasselijke wetgeving. Evenzo ligt het op grond van artikel 4:2, tweede lid, van de Awb op de weg van degene die een aanvraag indient tot het geven van een beschikking, de gegevens en bescheiden te verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Verder moeten op grond van artikel 54, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen de betrokkene zelf en diens werkgever aan de Svb alle gegevens en inlichtingen verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de aan de Svb opgedragen taken jegens de betrokkene. Artikel 3:2 van de Awb verplicht de Svb een zorgvuldig en volledig onderzoek naar de relevante feiten en belangen in te stellen.

6.2.2. [naam bedrijf] heeft, onder overlegging van mede door betrokkenen ondertekende documenten, verzocht om een beslissing van de Svb, inhoudende dat op betrokkenen, hoewel zij in Nederland woonden, de Cypriotische wetgeving van toepassing was over tijdvakken waarop zij op de loonlijst van [naam bedrijf] stonden. Gelet op 6.2.1 lag het op hun weg om aan de Svb alle gegevens en documenten te verschaffen die van belang zijn voor een correcte vaststelling van de toepasselijke wetgeving. Voor zover als gevolg van het ontbreken van die informatie en documenten onzekerheid bestaat over de objectieve feitelijke situatie van betrokkenen, komt dit voor rekening en risico van appellanten. Een redelijke verdeling van de stelplicht en bewijslast brengt in gevallen als deze mee dat aanvragers de ter zake daarvan relevante feiten stellen en in geval van gemotiveerde betwisting door de Svb, deze feiten ook aannemelijk dienen te maken (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 24 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3016).

6.2.3. Voor zover appellanten hebben willen betogen dat het risico van resterende onzekerheid over de objectieve feitelijke situatie van appellanten bij de Svb berust omdat de Svb onvoldoende onderzoek aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd, volgt de Raad appellanten niet in deze stellingname. De Svb heeft aan zijn onderzoeksplicht voldaan door bij betrokkenen en [naam bedrijf] meerdere malen de benodigde gegevens op te vragen.

6.3. Vaststelling van de toepasselijke wetgeving

6.3.1. Appellanten hebben ter onderbouwing van hun standpunt dat de Cypriotische wetgeving van toepassing is, gesteld dat niet de vervoersonderneming maar [naam bedrijf] de vrachtwagenchauffeurs aanwierf, dat [naam bedrijf] het loon bepaalde en betaalde, dat [naam bedrijf] pogingen deed tot reallocatie als de vervoersonderneming het contract met [naam bedrijf] opzegde en dat [naam bedrijf] beslissingen nam over ontslag van betrokkenen.

6.3.2. De Raad overweegt dat de Svb de in 5.1 verwoorde stelling van appellanten voldoende gemotiveerd heeft betwist. De Raad verwijst in de eerste plaats naar de citaten op de Nederlandstalige website van [naam bedrijf] (punt 5.2.9 van de verwijzingsbeslissing), waaruit blijkt dat de tussenkomst van [naam bedrijf] enkel strekte tot een besparing op de loonkosten van de vervoersondernemingen, terwijl er in de dagelijkse aansturing niets veranderde. De Raad verwijst verder naar de correspondentie in het dossier tussen [naam bedrijf] en de vervoersondernemingen [vervoersonderneming 1] , [vervoersonderneming 2] en naar de gedetailleerde verklaringen van werknemers van de Nederlandse transportondernemingen [vervoersonderneming 3] , [vervoersonderneming 4] en [vervoersonderneming 2] die zijn afgelegd tegenover de Inspectie Leefomgeving en Transport dan wel de Belastingdienst. De correspondentie en de verklaringen zijn in overeenstemming met het door [naam bedrijf] op zijn website gepresenteerde bedrijfsmodel en met de leveringsvoorwaarden van [naam bedrijf] en mede daarom in algemene zin van betekenis voor deze gedingen. Uit de verklaringen en de correspondentie rijst het beeld op dat in een aanzienlijk aantal gevallen betrokkenen voorafgaand aan de periodes in geding in loondienst waren van de vervoersonderneming waarvoor zij na de (door de vervoersonderneming veelal verplicht gestelde) tussenkomst van [naam bedrijf] bleven rijden. In de andere gevallen werden betrokkenen, nadat zij waren aangeworven door de vervoersonderneming, aangemeld bij [naam bedrijf] . De hoogte van het loon werd bepaald door de vervoersondernemingen. Betrokkenen stonden feitelijk voor onbepaalde tijd volledig ter beschikking van de vervoersondernemingen en in de dagelijkse gang van zaken veranderde – zoals ook op de website van [naam bedrijf] gesuggereerd – niet of nauwelijks iets. Ook ziekmeldingen en verlofaanvragen vonden, in ieder geval mede, plaats bij de vervoersondernemingen. Pas na voorafgaande betaling door de vervoersonderneming aan [naam bedrijf] betaalde [naam bedrijf] het loon aan de werknemers. Achterwege blijven van betalingen door de vervoersonderneming aan [naam bedrijf] leidde tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen [naam bedrijf] en de chauffeur.

6.3.3. De Raad volgt niet het standpunt van appellanten dat de betekenis van de verklaringen van de chauffeurs moet worden gerelativeerd omdat [naam bedrijf] niet bij hun ondervraging betrokken is geweest. De verklaringen zijn afgelegd tegenover inspecteurs van de Inspectie Leefomgeving en Transport dan wel de Belastingdienst. Op geen enkele wijze is gebleken dat de verklaringen niet in vrijheid zijn afgelegd of dat aan de chauffeurs woorden in de mond zijn gelegd. Als appellanten de verklaringen wilden controleren, hadden zij een verzoek aan de Raad kunnen richten om de chauffeurs als getuigen op te roepen. Dat hebben zij echter niet gedaan.

6.3.4. Tegenover de betwisting van de stellingen van appellanten door de Svb hebben appellanten gesteld dat [naam bedrijf] het op de website verwoorde bedrijfsmodel alleen in zijn beginperiode heeft gehanteerd. Appellanten verwijzen hiertoe naar de verklaring van [naam 2] en enkele ter ondersteuning van deze verklaringen overgelegde e-mails over de gang van zaken rondom het faillissement van [vervoersonderneming 5] Transport ( [vervoersonderneming 5] ) in juni 2012, alsmede een drietal verklaringen van chauffeurs. [naam bedrijf] zou vanaf de tweede helft van 2012 zelf als vervoersonderneming zijn gaan fungeren, en zou zoveel mogelijk hebben geprobeerd de chauffeurs van gefailleerde vervoersondernemingen bij andere klanten van [naam bedrijf] te plaatsen.

6.3.5. Naar het oordeel van de Raad hebben appellanten hiermee hun stelling onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [naam bedrijf] in de periodes in geding de werkgever van betrokkenen was, in die zin dat [naam bedrijf] het feitelijke gezag over betrokkenen uitoefende, feitelijk de overeenkomstige loonkosten droeg en feitelijk bevoegd was om betrokkenen te ontslaan. Als dit werkelijk het geval was, had [naam bedrijf] daarvan aanmerkelijk meer documentatie moeten kunnen overleggen dan nu is gebeurd. De verklaring van [naam 2] is weinig concreet en niet onderbouwd door objectief verifieerbare gegevens. Uit de overgelegde stukken rondom het faillissement van [vervoersonderneming 5] kan slechts worden afgeleid dat [naam bedrijf] op 26 en 30 juni 2012 enkele mails heeft verstuurd met de vraag of een andere vervoersonderneming plaats had voor de chauffeurs van [vervoersonderneming 5] , en dat één chauffeur toen bij een andere onderneming aan het werk is gegaan. Dit is volstrekt onvoldoende om te kunnen vaststellen dat [naam bedrijf] zich in de periode van 1 oktober 2011 en 26 mei 2015 structureel bezig hield met reallocatie van chauffeurs van vervoersondernemingen die niet langer een contract hadden met [naam bedrijf] . De door appellanten overgelegde verklaringen van de drie chauffeurs dateren van januari 2015 en zijn letterlijk gelijkluidend, zeer algemeen geformuleerd en bevatten geen enkel concreet aanknopingspunt voor controle.

6.3.6. Dat [naam bedrijf] vanaf een bepaald moment ook zelf als vervoersonderneming is gaan functioneren, doet aan het bovenstaande niet af. [naam bedrijf] heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat het vanaf dat moment ten tijde van de periodes in geding een andere rol is gaan spelen ten opzichte van de Nederlandse vervoersondernemingen en de daarbij werkzame chauffeurs.

6.3.7. Dat door de Svb, bij gebreke van toereikende informatie van de zijde van [naam bedrijf] , op basis van beperkte documentatie lijkt te zijn gereconstrueerd welke betrokkene voor welke vervoersonderneming werkte, leidt evenmin tot een ander oordeel. Tussen partijen is immers niet in geschil dat alle betrokkenen in de periodes in geding werkten voor in Nederland gevestigde vervoersondernemingen. Voor de beantwoording van de vraag of [naam bedrijf] als werkgever moet worden aangemerkt, is de relatie tussen [naam bedrijf] en de betrokkene doorslaggevend. Nu niet aannemelijk is geworden dat [naam bedrijf] het feitelijke gezag over betrokkenen uitoefende, feitelijk de overeenkomstige loonkosten droeg en feitelijk bevoegd was om betrokkenen te ontslaan, kan [naam bedrijf] niet als werkgever van betrokkenen worden aangemerkt. Daarbij doet niet ter zake welke betrokkene voor welke Nederlandse vervoersonderneming werkte.

6.3.8. Gelet op 6.2.1 tot en met 6.3.7 ziet de Raad geen reden om over de feiten nu tot een ander oordeel te komen dan zoals opgenomen in de verwijzingsbeslissing en zoals geparafraseerd door het Hof in de overwegingen 77 en 78 van het arrest. Dit leidt tot de conclusie dat bij de bestreden besluiten op betrokkenen terecht de Nederlandse sociaalzekerheidswetgeving van toepassing is verklaard over de daarin vermelde tijdvakken.

6.4. Overige geschilpunten

6.4.1. Procedurele aspecten

6.4.1.1. Voor zover de toepasselijke wetgeving in de voorliggende zaken moet worden vastgesteld aan de hand van de basisverordening en de toepassingsverordening, stellen appellanten zich op het standpunt dat de Svb ten onrechte geen of onvolledig uitvoering heeft gegeven aan de procedurevoorschriften voor de toepassing van artikel 13 van de basisverordening, die zijn opgenomen in artikel 16 van de toepassingsverordening. Appellanten hebben de Raad gevraagd om de bestreden besluiten om die reden te vernietigen en de Svb op te dragen alsnog uitvoering te geven aan de procedureregels.

6.4.1.2. De Svb heeft het standpunt ingenomen dat de procedurevoorschriften van artikel 16 van de toepassingsverordening betrekking hebben op de verhouding tussen de organen van de verschillende lidstaten, en geen rol mogen spelen in nationale procedures van individuele belanghebbenden over de toepassing van artikel 13 van de basisverordening. Verder heeft de Svb gesteld dat de procedurevoorschriften van artikel 16 van de toepassingsverordening door de Svb op een toereikende wijze in acht zijn genomen.

6.4.1.3. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 28 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2817, verwerpt de Raad de stelling dat de procedurevoorschriften van artikel 16 van de toepassingsverordening geen rol mogen spelen in nationale procedures over de toepassing van artikel 13 van de basisverordening. In die uitspraak is overwogen dat artikel 13 van de basisverordening niet alleen onlosmakelijk verbonden is met artikel 14, leden 5 tot en met 11, van de toepassingsverordening, maar ook met de procedurevoorschriften die zijn opgenomen in de artikelen 6 en 16 van de toepassingsverordening en met het op die artikelen gebaseerde Besluit A1.8

6.4.1.4. Gegeven deze samenhang kunnen socialezekerheidsorganen niet op een juiste wijze toepassing geven aan artikel 13 van de basisverordening zonder op een juiste wijze toepassing te geven aan de artikelen 6 en 16 van de toepassingsverordening en het Besluit A1, en kan de nationale socialezekerheidsrechter de toepassing van artikel 13 van de basisverordening niet goed beoordelen zonder ook de toepassing van de artikelen 6 en 16 van de toepassingsverordening en het Besluit A1 te beoordelen. De Raad verwijst hierbij naar overwegingen 72 en 74 van het arrest, waarin het Hof overweegt dat in de basisverordening in een mechanisme is voorzien voor samenwerking en informatieverstrekking teneinde de goede toepassing van de aanwijsregels te garanderen, waarbij mede op de in artikel 16 van de toepassingsverordening vastgestelde procedure voor de toepassing van artikel 13 van de basisverordening is verwezen, waarmee is beoogd om de betrokken organen en personen in staat te stellen om over de gegevens te beschikken die nodig zijn opdat de goede toepassing wordt gewaarborgd van het begrip ‘werkgever’ in het kader van de vaststelling van de toepasselijke wetgeving op grond van artikel 13 van de basisverordening.

6.4.1.5. De Svb heeft de procedurevoorschriften in de voorliggende gedingen niet op een toereikende wijze in acht genomen. De Svb heeft namelijk de toepasselijke wetgeving niet onverwijld voorlopig vastgesteld en niet de aangewezen organen van elke lidstaat waar betrokkenen in de periodes in geding werkzaamheden hebben verricht op de hoogte gebracht van zijn vaststellingen, zoals dat in artikel 16, tweede lid, van de toepassingsverordening wel is voorgeschreven. Zoals de Raad in zijn verwijzingsbeslissing heeft overwogen, acht hij deze procedurele tekortkomingen voor de beoordeling van deze gedingen van ondergeschikt belang. De Svb heeft voor het nemen van de bestreden besluiten over de op betrokkenen toepasselijke wetgeving gecorrespondeerd met het Cypriotische orgaan. Nu er een prejudiciële procedure is gevolgd, hebben de lidstaten hierbij kunnen interveniëren. Met het arrest van het Hof is duidelijk geworden dat op grond van het materiële Unierecht moet worden geconcludeerd dat de Svb terecht heeft vastgesteld dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving op betrokkenen van toepassing is. Appellanten hebben onvoldoende onderbouwd er een zelfstandig belang bij te hebben dat andere landen dan Nederland en Cyprus alsnog worden betrokken bij de feitelijke vaststelling van de toepasselijke wetgeving.

6.4.1.6. Anders dan in de genoemde uitspraak van 28 augustus 2019, waarbij niet op voorhand in contact was getreden met het Cypriotisch orgaan en geen prejudiciële procedure is gevolgd, zal de Raad het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeren, nu aannemelijk is dat dat belanghebbenden door het gebrek niet zijn benadeeld. Hierbij wordt opgemerkt dat de Svb hier niet uit kan afleiden dat het in zijn algemeenheid voldoende is dat slechts tussen twee lidstaten overleg wordt gevoerd.

6.4.2. A1 of E101-verklaringen

6.4.2.1. Tot 1 mei 2010 was voor de beoordeling van situaties als aan de orde in de voorliggende zaken het bepaalde in Vo 1408/71 en Vo 574/72 van belang. Per 1 mei 2010 zijn Vo 1408/71 en Vo 574/72 ingetrokken en vervangen door de basisverordening en de toepassingsverordening, met dien verstande dat Vo 1408/71 en Vo 574/72 in de relatie tussen de lidstaten van de EU en de lidstaten van de EVA van toepassing zijn gebleven tot 1 april 2012 (Zwitserland) of 1 juni 2012 (IJsland, Liechtenstein en Noorwegen).

6.4.2.2. Voor betrokkenen [betrokkene 1] (16/2920), [betrokkene 2] (16/2916), [betrokkene 3] (16/2929), [betrokkene 4] (16/2952), [betrokkene 5] (16/2911), [betrokkene 6] (16/2931), [betrokkene 7] (16/2921), [betrokkene 8] (16/2942), [betrokkene 9] (16/2948), [betrokkene 10] (16/2949), [betrokkene 11] (16/2939) [betrokkene 12] (16/2917) en [betrokkene 13] (16/2919) heeft de Svb een E101-verklaring afgegeven over een periode waarop deels niet Vo 1408/71, maar de basisverordening van toepassing is. De Svb had over de periode waarop de basisverordening van toepassing is een A1-verklaring in plaats van een E101-verklaring moeten afgeven. De Raad zal dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeren, nu aannemelijk is dat belanghebbenden door het gebrek niet zijn benadeeld. Hierbij acht de Raad van belang dat aan de E101-verklaringen weliswaar een vormverzuim kleeft, maar dat de daarop vermelde gegevens juist zijn en deze verklaringen niet minder dwingend zijn ten opzichte van andere lidstaten. Met de titel “A1” zouden deze inhoudelijk juiste verklaringen eenzelfde geldigheid hebben.

6.4.3. Zorgverzekeringswet

6.4.3.1. In de besluiten van 2 oktober 2013 is vermeld dat betrokkenen verplicht zijn een basispolis op grond van de Zorgverzekeringswet af te sluiten. Ten aanzien hiervan zal de Raad, zoals ter zitting is besproken, volstaan met de vaststelling dat dit enkel een informatieve mededeling van de Svb betreft.

6.4.4. Eerdere ontheffing van de verzekeringsplicht AWBZ; vertrouwensbeginsel

6.4.4.1. In de zaak van [naam bedrijf] met betrokkene [betrokkene 6] (16/2931) is aangevoerd dat de Svb bij besluit van 3 april 2012 heeft vastgesteld dat betrokkene vanaf 1 oktober 2011 niet verzekerd is krachtens de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ), omdat betrokkene werkzaam is buiten Nederland. Voor zover in deze zaak met een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel dan wel het vertrouwensbeginsel wordt bepleit dat de Nederlandse wetgeving daarom vanaf 1 oktober 2011 niet van toepassing mag worden verklaard en dit beroep aan [naam bedrijf] toekomt, overweegt de Raad als volgt. Een declaratoire verklaring inzake de rechtstreeks uit een regeling van Unierecht voortvloeiende rechtspositie van een belanghebbende kan slechts worden gehandhaafd indien zij in overeenstemming is met de objectieve situatie waarin iemand zich bevindt op grond van het Unierecht. Het is immers vaste rechtspraak van het Hof dat in een situatie van directe toepassing van communautair recht, het communautaire vertrouwensbeginsel van toepassing is. Dat vertrouwensbeginsel staat geen toepassing toe die leidt tot strijd met duidelijke bepalingen van Unierecht (vergelijk de uitspraak van de Raad van 10 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4014). Deze grond kan dus niet slagen.

6.5. Tussenconclusie

6.5.1. Uit 6.1 tot en met 6.4.4 volgt dat de Svb op betrokkenen terecht de Nederlandse wetgeving van toepassing heeft verklaard over de periodes in geding. Dat de Svb ten onrechte de procedurevoorschriften van artikel 16 van de toepassingsverordening niet heeft nageleefd, zal in deze procedure worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Dat geldt ook voor het feit dat ten onrechte voor een aantal betrokkenen E101-verklaringen zijn afgegeven over een periode waarover A1-verklaringen hadden moeten worden afgegeven. De overige gronden treffen geen doel.

6.5.2. De rechtbank heeft ten onrechte niet over de volledige periodes in geding geoordeeld. In zoverre moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad de beroepen ongegrond verklaren voor zover die periodes betreffen die niet door de rechtbank zijn beoordeeld. Voor het overige zal de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden, worden bevestigd.

7. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

7.1. Namens appellanten is in de hogerberoepsfase verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU.

7.2. Voor de wijze waarop deze beoordeling van het verzoek tot de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in deze zaak dient plaats te vinden, sluit de Raad zich aan bij de overwegingen hierover in het overzichtsarrest van de Hoge Raad.9

7.3. Vanaf de indiening van het bezwaarschrift op 12 november 2013 tot de datum van deze uitspraak zijn zeven jaar en een maand verstreken. De Raad heeft in dit geding in de zaak zelf en in de opstelling van partijen geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. Ook is er geen sprake van dermate bijzondere omstandigheden dat deze aanleiding zouden moeten geven tot verkorting van die termijn. In dit geding bedraagt de maximaal toegestane behandelingsduur voor een procedure in drie instanties dus vier jaar.

7.4. Bij de berekening van de duur van de procedure moet de termijn die gemoeid is geweest met het verkrijgen van een prejudiciële beslissing in deze zaak buiten beschouwing worden gelaten. Die termijn is aangevangen op 22 september 2018 en is geëindigd op 16 juli 2020. Dit betekent dat een periode van een jaar en tien maanden buiten beschouwing moet worden gelaten.10Hierdoor is de termijn met meer dan twaalf en minder dan achttien maanden overschreden.

7.5. Volgens vaste rechtspraak is in beginsel een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.

7.6. Nu de 31 zaken van [naam bedrijf] in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp en zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase gezamenlijk zijn behandeld, wordt voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief per half jaar gehanteerd.11

7.7. Nu sprake is van een situatie waarin zaken van in totaal acht verschillende belanghebbenden (inclusief [naam bedrijf] ) gezamenlijk zijn behandeld en die in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, overweegt de Raad dat deze omstandigheden een zodanig matigende invloed hebben op de spanning, het ongemak en de onzekerheid die worden ondervonden door een te lang durende procedure, dat dit een reden vormt om de wegens schending van de redelijke termijn toe te kennen schadevergoedingen te matigen tot 25% van het onder 7.5 genoemde bedrag.12 De Raad ziet geen aanleiding om deze matiging, die de Raad ook in soortgelijke zaken heeft toegepast13, in deze zaak niet toe te passen.

7.8. In de voorliggende gevallen leiden de overwegingen 7.1 tot en met 7.7 tot het volgende. Zoals hiervoor is geconcludeerd is de redelijke termijn met meer dan twaalf en minder dan achttien maanden overschreden. Rekening houdende met de matiging komt dit per belanghebbende neer op een bedrag aan immateriële schadevergoeding van € 375,- (25% van € 1.500,-). Omdat in deze gedingen de overschrijding van de redelijke termijn gedeeltelijk aan het bestuursorgaan (overschrijding van twee maanden) en gedeeltelijk aan de Staat (overschrijding rechterlijke fase van dertien maanden) moet worden toegerekend, zal de Svb worden veroordeeld tot betaling van een immateriële schadevergoeding van € 50,- en de Staat tot betaling van een bedrag van € 325,-. Deze vergoeding komt eenmaal toe aan [naam bedrijf] en komt verder toe aan elk van de zeven betrokkenen die zelfstandig hoger beroep hebben ingesteld en daarbij hebben verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

8. Proceskosten

8.1. De Raad ziet gelet op wat onder 6.5.1 en 6.5.2 is overwogen aanleiding de Svb te veroordelen in de proceskosten. In hoger beroep is verzocht om vergoeding van de proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep.

8.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank afwijzend beslist op het verzoek van appellanten om de Svb te veroordelen tot vergoeding van kosten die zij hebben gemaakt in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep. De onder 2.2 vermelde besluiten van 2 oktober 2013 worden ook in hoger beroep niet herroepen wegens aan de Svb te wijten onrechtmatigheid (zie 6.5.1 en 6.5.2). Gelet op artikel 7:15, tweede lid, van de Awb is er daarom geen grond om alsnog te bepalen dat de Svb de kosten moet vergoeden die appellanten in de bezwaarfase hebben gemaakt. Omdat de vernietiging van de aangevallen uitspraak betrekking heeft op overwegingen waartegen appellanten gronden hadden gericht, is er wel grond voor toewijzing van een vergoeding voor de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.

8.3. In beroep en in hoger beroep is nagenoeg gelijktijdig en op vergelijkbare gronden rechtsbijstand aan appellanten verleend door dezelfde persoon. Deze zaken worden daarom aangemerkt als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, zodat zij voor de bepaling van de hoogte van de te vergoeden kosten als één zaak zijn te beschouwen. De vergoedingen voor de kosten van verleende rechtsbijstand in beroep en in hoger beroep worden in deze zaak door de Raad vastgesteld op in totaal € 12.993,75. Bij de vaststelling van de vergoeding voor de kosten van verleende rechtsbijstand in beroep is 1 punt toegekend voor het indienen van het beroepschrift, 1,5 punt voor het verschijnen ter zitting en ter nadere zitting en 0,5 punt voor het schriftelijk verstrekken van inlichtingen op 8 oktober 2015. Bij de vaststelling van de vergoeding voor de kosten van verleende rechtsbijstand in hoger beroep is 1 punt toegekend voor het indienen van hoger beroep, 1,5 punt voor het verschijnen ter zitting en ter nadere zitting, 1,5 punt voor het schriftelijk verstrekken van inlichtingen op 2 januari 2018, 3 april 2018 en 13 september 2018, 2 punten voor het verstrekken van schriftelijke inlichtingen in de prejudiciële procedure en 2 punten voor het verschijnen tijdens de mondelinge behandeling in die procedure. In totaal dus 3 punten voor beroep en 8 punten voor hoger beroep, vermenigvuldigd met factor 1,5 wegens het aantal samenhangende zaken (meer dan 4) en met nogmaals factor 1,5 voor het gewicht van de zaak (zwaar).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij geen oordeel is gegeven over de in de bijlage 1 genoemde tijdvakken in geding vanaf 1 oktober 2012;

- verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond voor zover deze betrekking hebben op tijdvakken waarover de rechtbank geen oordeel heeft gegeven;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van in totaal € 2.600,-, waarvan € 325,- is bedoeld voor [naam bedrijf] en € 325,- voor elk van de zeven natuurlijke personen bedoeld in bijlage 1 onder de nummers 6, 10, 17, 19, 29, 33 en 41;
- veroordeelt de Svb tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van in totaal € 400,-, waarvan € 50,- is bedoeld voor [naam bedrijf] en € 50,- voor elk van de zeven natuurlijke personen bedoeld in bijlage 1 onder de nummers 6, 10, 17, 19, 29, 33 en 41;

- veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellanten in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 12.993,75;

- bepaalt dat de Svb aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 13.792,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en A. van Gijzen en M. Wolfrat als leden, in tegenwoordigheid van M. Buur als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2020.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) M. Buur

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.

Bijlage 1

Registratienummers van de hoger beroepen die bij deze uitspraak worden afgedaan

De namen van appellanten en van betrokkenen

De periodes waarop de bestreden besluiten

(en/of door de Svb verstrekte A1-verklaringen)

betrekking hebben

1.

16/2910 AOW

Appel [naam bedrijf] Ltd ., statutair gevestigd te Cyprus (betrokkene
[betrokkene 14] , overleden op 21 april 2017)

1 mei 2013 t/m 30 april 2015

2.

16/2911 AOW

Appel [naam bedrijf] Ltd ., statutair gevestigd te Cyprus (betrokkene [betrokkene 5] is derde-partij)

1 januari 2012 t/m 3 juli 2012

3.

16/2912 AOW

Appel [naam bedrijf] Ltd ., statutair gevestigd te Cyprus (betrokkene
[betrokkene 15] )

1 mei 2013 t/m 30 april 2015

4.

16/2913 AOW

Appel [naam bedrijf] Ltd ., statutair gevestigd te Cyprus (betrokkene
[betrokkene 16] )

1 juni 2012 t/m 31 december 2013

5.

16/2914 AOW

Appel [naam bedrijf] Ltd ., statutair gevestigd te Cyprus (betrokkene
[betrokkene 17] )

27 mei 2013 t/m 26 mei 2015

6.

16/2954 AOW

Appel [betrokkene 17]

27 mei 2013 t/m 26 mei 2015

7.

16/2916 AOW

Appel [naam bedrijf] Ltd ., statutair gevestigd te Cyprus (betrokkene
[betrokkene 2] )

1 oktober 2011 t/m 30 juni 2014

8.

16/2917 AOW

Appel [naam bedrijf] Ltd ., statutair gevestigd te Cyprus (betrokkene [betrokkene 12] )

1 november 2011 t/m 31 oktober 2012

9.

16/2918 AOW

Appel [naam bedrijf] Ltd ., statutair gevestigd te Cyprus (betrokkene [betrokkene 18] )

1 oktober 2011 t/m 1 oktober 2012

10.

16/2955 AOW

Appel [betrokkene 18]

1 oktober 2011 t/m 1 oktober 2012

11.

16/2919 AOW

Appel [naam bedrijf] Ltd ., statutair gevestigd te Cyprus (betrokkene [betrokkene 13] )

1 oktober 2011 t/m 30 juni 2014

12.

16/2920 AOW

Appel [naam bedrijf] Ltd ., statutair gevestigd te Cyprus (betrokkene
[betrokkene 1] , overleden op 11 september 2015)

1 oktober 2011 t/m 30 juni 2014

13.

16/2921 AOW

Appel [naam bedrijf] Ltd ., statutair gevestigd te Cyprus (betrokkene
[betrokkene 7] )

1 oktober 2011 t/m 30 juni 2014

14.

16/2922 AOW

Appel [naam bedrijf] Ltd ., statutair gevestigd te Cyprus (betrokkene
[betrokkene 19] )

1 mei 2013 t/m 30 april 2015

15.

16/2925 AOW

Appel [naam bedrijf] Ltd ., statutair gevestigd te Cyprus (betrokkene
[betrokkene 20] )

1 oktober 2012 t/m 30 september 2014

16.

16/2926 AOW

Appel [naam bedrijf] Ltd ., statutair gevestigd te Cyprus (betrokkene
[betrokkene 21] )

3 augustus 2012 t/m 2 augustus 2014

17.

16/2956 AOW

Appel [betrokkene 21]

3 augustus 2012 t/m 2 augustus 2014

18.

16/2928 AOW

Appel [naam bedrijf] Ltd ., statutair gevestigd te Cyprus (betrokkene
[betrokkene 22] )

8 april 2013 t/m 12 augustus 2013

19.

16/2958 AOW

Appel [betrokkene 22]

8 april 2013 t/m 12 augustus 2013,

20.

16/2929 AOW

Appel [naam bedrijf] Ltd ., statutair gevestigd te Cyprus (betrokkene
[betrokkene 3] )

1 februari 2012 t/m 6 juli 2012 en
8 oktober 2012 t/m 1 oktober 2014

21.

16/2930 AOW

Appel [naam bedrijf] Ltd ., statutair gevestigd te Cyprus (betrokkene
[betrokkene 23] )

3 december 2012 t/m 1 december 2014

22.

16/2931 AOW

Appel [naam bedrijf] Ltd ., statutair gevestigd te Cyprus (betrokkene
[betrokkene 6] )

1 oktober 2011 t/m 31 december 2013

23.

16/2932 AOW

Appel [naam bedrijf] Ltd ., statutair gevestigd te Cyprus (betrokkene [betrokkene 24] )

1 oktober 2012 t/m 30 november 2013

24.

16/2933 AOW

Appel [naam bedrijf] Ltd ., statutair gevestigd te Cyprus (betrokkene
[betrokkene 25] )

1 mei 2013 t/m 4 december 2013

25.

16/2934 AOW

Appel [naam bedrijf] Ltd ., statutair gevestigd te Cyprus (betrokkene [betrokkene 26] )

1 december 2012 t/m 30 november 2014

26.

16/2936 AOW

Appel [naam bedrijf] Ltd ., statutair gevestigd te Cyprus (betrokkene
[betrokkene 27] )

4 juni 2013 t/m 30 november 2013

27.

16/2937 AOW

Appel [naam bedrijf] Ltd ., statutair gevestigd te Cyprus (betrokkene [betrokkene 28] )

1 oktober 2012 t/m 30 september 2013

28.

16/2938 AOW

Appel [naam bedrijf] Ltd ., statutair gevestigd te Cyprus (betrokkene [betrokkene 29] )

19 april 2013 t/m 9 september 2013

29.

16/2959 AOW

Appel [betrokkene 29]

19 april 2013 t/m 9 september 2013,

CLAESSENS B.V.

30.

16/2939 AOW

Appel [naam bedrijf] Ltd ., statutair gevestigd te Cyprus (betrokkene
[betrokkene 11] )

1 januari 2012 t/m 17 juli 2012 en
18 januari 2013 t/m 31 maart 2013

31.

16/2940 AOW

Appel [naam bedrijf] Ltd ., statutair gevestigd te Cyprus (betrokkene
[betrokkene 30] )

1 mei 2013 t/m 17 juni 2013

32.

16/2941 AOW

Appel [naam bedrijf] Ltd ., statutair gevestigd te Cyprus (betrokkene
[betrokkene 31] )

1 maart 2013 t/m 28 februari 2015

33.

16/2960 AOW

Appel [betrokkene 31]

1 maart 2013 t/m 28 februari 2015

34.

16/2942 AOW

Appel [naam bedrijf] Ltd ., statutair gevestigd te Cyprus (betrokkene
[betrokkene 8] )

3 januari 2012 t/m 30 juni 2014,

35.

16/2943 AOW

Appel [naam bedrijf] Ltd ., statutair gevestigd te Cyprus (betrokkene
[betrokkene 32] )

2 december 2011 t/m 29 februari 2012

36.

16/2944 AOW

Appel [naam bedrijf] Ltd ., statutair gevestigd te Cyprus (betrokkene
[betrokkene 33] )

6 mei 2013 t/m 24 juni 2013

37.

16/2945 AOW

Appel [naam bedrijf] Ltd ., statutair gevestigd te Cyprus (betrokkene
[betrokkene 34] )

1 juni 2012 t/m 30 juni 2014

38.

16/2946 AOW

Appel [naam bedrijf] Ltd ., statutair gevestigd te Cyprus (betrokkene
[betrokkene 35] )

1 oktober 2012 t/m 30 november 2013

39.

16/2947 AOW

Appel [naam bedrijf] Ltd ., statutair gevestigd te Cyprus (betrokkene
[betrokkene 36] )

17 juni 2013 t/m 31 oktober 2013

40.

16/2948 AOW

Appel [naam bedrijf] Ltd ., statutair gevestigd te Cyprus (betrokkene
[betrokkene 9] )

1 februari 2012 t/m 30 juni 2014

41.

16/2961 AOW

Appel [betrokkene 9]

1 februari 2012 t/m 30 juni 2014

42.

16/2949 AOW

Appel [naam bedrijf] Ltd ., statutair gevestigd te Cyprus (betrokkene
[betrokkene 10] )

1 januari 2012 t/m 17 juli 2012

43.

16/2950 AOW

Appel [naam bedrijf] Ltd ., statutair gevestigd te Cyprus (betrokkene [betrokkene 37] )

1 december 2012 t/m 30 september 2013

44.

16/2952 AOW

Appel [naam bedrijf] Ltd ., statutair gevestigd te Cyprus (betrokkene
[betrokkene 4] )

1 mei 2012 t/m 31 oktober 2012

45.

16/2953 AOW

Appel [naam bedrijf] Ltd ., statutair gevestigd te Cyprus (betrokkene
[betrokkene 38] )

1 maart 2013 t/m 8 juli 2013

Bijlage 2


de nieuwe Basisverordening (Vo 883/2004)

Artikel 2 Vo 883/2004

‘1. Deze verordening is van toepassing op onderdanen van een lidstaat, staatlozen en vluchtelingen, die in een van de lidstaten wonen, en op wie de wetgeving van een of meer lidstaten van toepassing is of geweest is, alsmede op hun gezinsleden en hun nabestaanden.

2. Tevens is deze verordening van toepassing op de nabestaanden van de personen op wie de wetgeving van een of meer lidstaten van toepassing is geweest, ongeacht de nationaliteit van die personen, indien hun nabestaanden onderdanen van één van de lidstaten, staatlozen of vluchtelingen zijn die in één van de lidstaten wonen.’

Artikel 13, eerste lid, Vo 883/2004 (tekst vanaf 28 juni 2012):


‘Verrichten van werkzaamheden in twee of meer lidstaten

1. Op degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt te verrichten, is van toepassing:

a. a) de wetgeving van de lidstaat waar hij woont, indien hij aldaar een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht, of

b) indien hij niet een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht in de lidstaat waar hij woont:

i. i) de wetgeving van de lidstaat waar de zetel of het domicilie van de onderneming of de werkgever zich bevindt, indien hij in dienst is van één onderneming of werkgever, of

ii) de wetgeving van de lidstaat waar de zetel of het domicilie van de ondernemingen of de werkgevers zich bevindt, indien hij in dienst is van twee of meer ondernemingen of werkgevers die hun zetel of domicilie in slechts één lidstaat hebben, of

iii) de wetgeving van de lidstaat waar de zetel of het domicilie van de onderneming of de werkgever zich bevindt, niet zijnde de lidstaat waar hij woont, indien hij in dienst is van twee of meer ondernemingen of werkgevers die hun zetel of domicilie hebben in twee lidstaten, waarvan één de lidstaat is waar de betrokkene woont, of

iv) de wetgeving van de lidstaat waar hij woont, indien hij in dienst is van twee of meer ondernemingen of werkgevers, waarvan ten minste twee hun zetel of domicilie in verschillende lidstaten hebben, niet zijnde de lidstaat waar de betrokkene woont.’

Artikel 13, eerste lid, Vo 883/2004 (tekst tot 28 juni 2012):

‘1. Op degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt te verrichten, is van toepassing:

a. a) de wetgeving van de lidstaat waar hij woont, indien hij op dit grondgebied een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht of indien hij werkzaam is bij verschillende ondernemingen of werkgevers die hun zetel of domicilie hebben op het grondgebied van verschillende lidstaten, of

b) de wetgeving van de lidstaat waar de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij voornamelijk werkzaam is zich bevindt, indien hij geen substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht in de lidstaat waar hij woont.’


Artikel 16 Vo 883/2004


‘Uitzonderingen op de artikelen 11 tot en met 15

1. Twee of meer lidstaten, de bevoegde autoriteiten van deze lidstaten of de door deze autoriteiten aangewezen instellingen kunnen in onderlinge overeenstemming in het belang van bepaalde personen of groepen personen, uitzonderingen op de artikelen 11 tot en met 15 vaststellen.
2. (…)’

de nieuwe Toepassingsverordening (Vo 987/2009))

Preambule, punten 9 en 10

‘9. Omdat de sociale zekerheid nu eenmaal een complexe materie is, moet van alle organen van de lidstaten een bijzondere inspanning ten behoeve van de verzekerden worden verlangd om de betrokkenen die hun aanvraag of bepaalde informatie aan het bevoegd orgaan niet volgens de voorschriften en procedures van Verordening (EG) nr. 883/2004 of de onderhavige verordening hebben ingediend, niet te benadelen.

10. Voor de vaststelling van het bevoegd orgaan, dat wil zeggen het orgaan waarvan de wetgeving van toepassing is of dat bepaalde uitkeringen verschuldigd is, moet de feitelijke situatie van een verzekerde en van de gezinsleden door de organen van een of meer lidstaten worden onderzocht. Om ervoor te zorgen dat de betrokkene gedurende deze noodzakelijke uitwisselingen tussen de organen verzekerd is, moet hij of zij voorlopig worden aangesloten bij een van de socialezekerheidsstelsels.’

Artikel 6 Vo 987/2009

‘Voorlopige toepassing van een wetgeving en voorlopige betaling van uitkeringen

1. Tenzij in de toepassingsverordening anders is bepaald, wordt in geval van een meningsverschil tussen de organen of autoriteiten van twee of meer lidstaten inzake de vaststelling van de toepasselijke wetgeving, op de betrokkene voorlopig de wetgeving van een van deze lidstaten toegepast, waarbij de rangorde als volgt wordt bepaald:

a. a) de wetgeving van de lidstaat waar de betrokkene feitelijk zijn werkzaamheden in loondienst of anders dan in loondienst verricht, indien de werkzaamheden in slechts één lidstaat worden uitgeoefend;

b) de wetgeving van de lidstaat van de woonplaats, indien de betrokkene al dan niet in loondienst werkzaamheden in twee of meer lidstaten verricht en een deel van zijn werkzaamheden in de lidstaat van woonplaats verricht of indien hij noch in loondienst noch anders dan in loondienst werkzaam is;

c) in alle andere gevallen, de wetgeving van de lidstaat waar het eerst om toepassing van de wetgeving is verzocht, indien de betrokkene in twee of meer lidstaten werkzaamheden verricht.

2. Indien tussen de organen of autoriteiten van twee of meer lidstaten een meningsverschil bestaat over de vaststelling van het orgaan dat de uitkeringen of verstrekkingen moet verlenen, ontvangt de betrokkene die aanspraak op prestaties zou kunnen maken indien dit geschil niet bestond, voorlopige prestaties als bepaald in de wetgeving die door het orgaan van de woonplaats wordt toegepast of, indien de betrokkene niet op het grondgebied van een van de betrokken lidstaten woont, prestaties op grond van de wetgeving die wordt toegepast door het orgaan waarbij de aanvraag het eerst is ingediend.

3. Worden de betrokken organen of autoriteiten het niet eens, dan kan door de bevoegde autoriteiten de zaak aan de Administratieve Commissie worden voorgelegd, zulks op zijn vroegst één maand na de datum waarop het meningsverschil als bedoeld in lid 1 en lid 2 is ontstaan. De Administratieve Commissie tracht binnen zes maanden na de datum waarop de zaak aan haar is voorgelegd, een voor beide zijden aanvaardbare oplossing te vinden.

4. Indien is komen vast te staan dat de toepasselijke wetgeving niet die van de lidstaat is waar voorlopige aansluiting heeft plaatsgevonden, of dat het orgaan dat voorlopige uitkeringen heeft verleend, niet het bevoegde orgaan was, wordt het als bevoegd aangemerkte orgaan geacht retroactief bevoegd te zijn geweest alsof er geen meningsverschil heeft bestaan uiterlijk vanaf de datum van voorlopige aansluiting of van de eerste voorlopige betaling van de uitkeringen.

5. Zo nodig wordt de financiële situatie van de betrokkene met betrekking tot de premies en uitkeringen die voorlopig worden betaald, door het als bevoegd aangemerkte orgaan en het orgaan dat voorlopig uitkeringen heeft verstrekt dan wel voorlopig premies heeft ontvangen, geregeld, waar zulks passend is, overeenkomstig titel IV, hoofdstuk III, van de toepassingsverordening.

Door een orgaan overeenkomstig lid 2 voorlopig gedane verstrekkingen worden vergoed door het overeenkomstig de bepalingen van titel IV van de toepassingsverordening bevoegde orgaan.’

Artikel 16 Vo 987/2009


‘Procedure voor de toepassing van artikel 13 van de basisverordening

1.
Degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden verricht, stelt het orgaan dat is aangewezen door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van woonplaats, daarvan in kennis.

2. Het aangewezen orgaan van de woonplaats stelt onverwijld de op de betrokkene toepasselijke wetgeving vast, met inachtneming van artikel 13 van de basisverordening en artikel 14 van de toepassingsverordening. Deze aanvankelijke vaststelling heeft een voorlopig karakter. Het orgaan brengt de aangewezen organen van elke lidstaat waar werkzaamheden worden verricht op de hoogte van zijn voorlopige vaststelling.

3. De voorlopige vaststelling van de toepasselijke wetgeving, bedoeld in lid 2, wordt definitief binnen twee maanden nadat de door de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten aangewezen organen ervan in kennis zijn gesteld overeenkomstig lid 2, tenzij de wetgeving reeds definitief is vastgesteld op basis van lid 4, of tenzij ten minste een van de betrokken organen de door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van woonplaats aangewezen organen aan het eind van de periode van twee maanden ervan in kennis stelt dat het nog niet met de vaststelling kan instemmen of hierover een ander standpunt inneemt.

4. Indien onzekerheid betreffende de vaststelling van de toepasselijke wetgeving noopt tot contacten tussen de organen of autoriteiten van twee of meer lidstaten wordt, op verzoek van een of meer van de door de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten aangewezen organen of van de bevoegde autoriteiten zelf, de op de betrokkene toepasselijke wetgeving in onderlinge overeenstemming vastgesteld, met inachtneming van artikel 13 van de basisverordening en de desbetreffende bepalingen van artikel 14 van de toepassingsverordening. Indien er een verschil van mening bestaat tussen de betrokken organen of bevoegde autoriteiten, streven deze instanties naar een akkoord overeenkomstig bovengenoemde voorwaarden; artikel 6 van de toepassingsverordening is van toepassing.

5. Het bevoegde orgaan van de lidstaat waarvan de wetgeving voorlopig of definitief van toepassing is verklaard, stelt de betrokkene onverwijld in kennis.

6. Indien de betrokkene nalaat de in lid 1 vermelde informatie te verstrekken, wordt dit artikel toegepast op initiatief van het door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van woonplaats aangewezen orgaan, zodra het, eventueel via een ander betrokken orgaan, in kennis is gesteld van de situatie van de betrokkene.’

Artikel 73 Vo 987/2009

‘Voorlopige betaalde prestaties in geld of voorlopig betaalde premies

1. Met het oog op de toepassing van artikel 6 van de toepassingsverordening stelt het orgaan dat voorlopige uitkeringen heeft betaald, hoogstens drie maanden nadat de toepasselijke wetgeving of het voor de betaling van de uitkeringen verantwoordelijke orgaan is vastgesteld, een verklaring op met daarin het bedrag dat voorlopig is betaald, en stuurt deze verklaring aan het als bevoegd aangemerkte orgaan.

Het orgaan dat is aangemerkt als bevoegd voor de betaling van de uitkeringen, houdt het uit hoofde van de voorlopige betaling verschuldigde bedrag in op de achterstallige betalingen van de overeenkomstige uitkeringen die het aan de betrokkene verschuldigd is en maakt onverwijld het ingehouden bedrag over aan het orgaan dat de voorlopige uitkeringen heeft betaald.

Indien de voorlopig betaalde uitkeringen de achterstallige betalingen overtreffen of indien er geen achterstallige betalingen zijn, houdt het als bevoegd aangemerkte orgaan het bedrag in op de lopende betalingen onder de voorwaarden en binnen de grenzen als voor een dergelijke verrekeningsprocedure is bepaald bij de wetgeving die door dit orgaan wordt toegepast, en maakt het ingehouden bedrag onverwijld over aan het orgaan dat de voorlopige uitkeringen heeft betaald.

2. Het orgaan dat van een rechtspersoon en/of natuurlijke persoon voorlopige premies heeft ontvangen, gaat pas over tot terugbetaling van de bedragen in kwestie aan de persoon die deze heeft betaald, nadat het bij het als bevoegd aangemerkte orgaan navraag heeft gedaan naar de bedragen die op grond van artikel 6, lid 4, van de toepassingsverordening eventueel aan dit orgaan verschuldigd zijn. Op verzoek van het als bevoegd aangemerkte orgaan, welk verzoek uiterlijk drie maanden na de vaststelling van de toepasselijke wetgeving wordt ingediend, maakt het orgaan dat voorlopige premies heeft ontvangen, deze premies aan dit orgaan over, opdat deze worden verrekend met de over dezelfde periode door de betrokken rechts- of natuurlijke persoon aan het voor de betrokken periode als bevoegd aangemerkte orgaan verschuldigde premies. De overgemaakte premies worden met terugwerkende kracht geacht betaald te zijn aan het als bevoegd aangemerkte orgaan. Indien de voorlopig betaalde premies meer bedragen dan de betrokken natuurlijke of rechtspersoon aan het als bevoegd aangemerkte orgaan verschuldigd is, betaalt het orgaan dat de premies voorlopig had ontvangen, het teveel betaalde bedrag aan de betrokken natuurlijke of rechtspersoon terug.’


de oude Basisverordening (Vo 1408/71)

Artikel 90, eerste lid, aanhef en onderdeel c, Vo 883/2004

‘1. Verordening (EEG) nr. 1408/71 wordt met ingang van de toepassingsdatum van deze verordening ingetrokken. Verordening (EEG) nr. 1408/71 blijft evenwel van kracht en de rechtsgevolgen ervan worden gehandhaafd voor:

(…)

c) de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen alsmede andere overeenkomsten die een verwijzing bevatten naar Verordening (EEG) nr. 1408/71, zulks zolang genoemde overeenkomsten niet worden gewijzigd als gevolg van deze verordening.’

Vo 883/2004 en Vo 987/2009 zijn voor Zwitserland in werking getreden per 1 april 2012 en voor IJsland, Liechtenstein en Noorwegen per 1 juni 2012. Hieraan liggen wijzigingen ten grondslag van de in artikel 90, eerste lid, onderdeel c, van Vo 883/2004 genoemde overeenkomsten.

Artikel 14, tweede lid, Vo 1408/71

‘2. Op degene die op het grondgebied van twee of meer Lid-Staten werkzaamheden in loondienst pleegt uit te oefenen, wordt de toepasselijke wetgeving als volgt vastgesteld:

a. a) op degene die behoort tot het rijdend, varend of vliegend personeel van een onderneming welke voor rekening van anderen of voor eigen rekening internationaal vervoer van personen of goederen per spoor, over de weg, door de lucht of over de binnenwateren verricht en op het grondgebied van een Lid-Staat haar zetel heeft, is de wetgeving van laatstbedoelde Staat van toepassing. Niettemin:

i. i) (…)

ii) is op degene die in hoofdzaak werkzaam is op het grondgebied van de Lid-Staat waar hij woont, de wetgeving van die Staat van toepassing, zelfs indien de onderneming waarbij hij werkzaam is, noch haar zetel, noch een filiaal, noch een vaste vertegenwoordiging op dit grondgebied heeft;

(…).’

Artikel 87, achtste lid, Vo 883/2004

‘8. Indien een persoon op grond van deze verordening is onderworpen aan de wetgeving van een andere lidstaat dan die waaraan die persoon op grond van titel II van Verordening (EEG) nr. 1408/71 onderworpen is, blijft de betrokkene onderworpen aan deze wetgeving zolang de desbetreffende situatie voortduurt, maar in elk geval niet langer dan 10 jaar te rekenen vanaf de toepassingsdatum van deze verordening, tenzij hij een aanvraag indient om onderworpen te worden aan de wetgeving die op grond van deze verordening van toepassing is. Indien de aanvraag binnen een termijn van drie maanden vanaf de toepassingsdatum van deze verordening wordt ingediend bij het bevoegde orgaan van de lidstaat waarvan de wetgeving op grond van deze verordening van toepassing is, is deze wetgeving op betrokkene van toepassing vanaf de toepassingsdatum van deze verordening. Indien de aanvraag wordt ingediend nadat deze termijn verstreken is, is genoemde wetgeving op betrokkene van toepassing vanaf de eerste dag van de volgende maand.’

Handvest van de grondrechten van de EU

Artikel 47

‘Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht


Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.


Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.

Rechtsbijstand wordt verleend aan diegenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voor zover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen.’

1 Rb. Amsterdam 25 maart 2016, 14/5265 e.a., ECLI:NL:RBAMS:2016:1638.

2 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

3 CRvB 20 september 2018, 16/2910 AOW-P e.a., ECLI:NL:CRVB:2018:2878.

4 HvJ EU 16 juli 2020, C‑610/18, AFMB Ltd e.a. tegen Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, ECLI:EU:C:2020:565.

5 Verordening (EG) nr. 883/2004.

6 Verordening (EEG) nr. 1408/71.

7 Verordening (EG) nr. 987/2009.

8 Besluit A1 van 12 juni 2009 betreffende de instelling van een dialoog- en bemiddelingsprocedure met betrekking tot de geldigheid van documenten, het bepalen van de toepasselijke wetgeving en het verlenen van prestaties uit hoofde van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad (Pb. 2010/C 106/01) van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels (Besluit A1).

9 HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252; zie ook de uitspraken van de Raad van 28 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2817 en van 22 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2609.

10 Zie punt 3.7.1 en 3.7.2 van het overzichtsarrest van de Hoge Raad.

11 Zie punt 3.10.2 van het overzichtsarrest van de Hoge Raad.

12 Zie punt 3.10.3 van het overzichtsarrest van de Hoge Raad en punt 13.3.3.3 en 13.3.3.4 van de uitspraak van de Raad van 28 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2817.

13 Zie de uitspraken van de Raad van 28 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2817 en van 22 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2609.