Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2738

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-11-2020
Datum publicatie
09-11-2020
Zaaknummer
18/2983 PW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Herziening van in rechte vaststaande besluiten terecht afgewezen. Geen nieuwe feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2983 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 april 2018, 18/51 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 2 november 2020

Zitting heeft: J.N.A. Bootsma als lid van de enkelvoudige kamer

Griffier: T. Ali

Ter zitting zijn verschenen: voor appellant mr. G Grijs, advocaat, en de Svb heeft zich via videoverbinding laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Dit betekent dat het verzoek van 12 mei 2017 om herziening van de besluiten van 1 juni 2015 en 13 januari 2017 terecht is afgewezen.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar en gebaseerd op de volgende overwegingen.

Bij in rechte vaststaand besluit van 1 juni 2015 heeft de SVB de aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen met ingang van 1 juli 2009 ingetrokken en € 24.816,84 teruggevorderd, omdat appellant in Marokko beschikte over een woning in [plaatsnaam 1] en een woning in [plaatsnaam 2].

Met een herzieningsverzoek van 30 december 2016 heeft appellant gesteld dat hij geen huis had in [plaatsnaam 2] en ook niet in [plaatsnaam 3].

Bij in rechte vaststaand besluit van 13 januari 2017 heeft de SVB overwogen dat een woning in [plaatsnaam 3] nooit als eigendom van appellant is aangemerkt en dat hij heeft aangetoond dat de woning in [plaatsnaam 2] niet zijn eigendom is. Omdat de waarde van de woning in [plaatsnaam 1] hoger was dan het vrij te laten vermogen, is het verzoek om herziening toch afgewezen.

In het verzoek waar het nu om gaat is gevraagd om herziening, omdat appellant samen met mede-erfgenamen eigenaar is van de woning in [plaatsnaam 1], deze woning volgens een verklaring van de [X] van 11 mei 2017 een bouwval is en dat mogelijk de verkeerde woning is getaxeerd. Dit zijn echter geen nieuwe feiten en omstandigheden, omdat appellant dit ook al had kunnen aanvoeren tegen het besluit van 1 juni 2015.

Er zijn geen aanwijzingen dat de oorspronkelijke besluiten onmiskenbaar onjuist zijn. Op

7 mei 2014 heeft een cheikh in het bijzijn van de [X] verklaard dat appellant de woning in [plaatsnaam 1] in 1975 heeft laten bouwen.

Het hoger beroep slaagt niet. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) T. Ali (getekend) J.N.A. Bootsma