Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2735

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-11-2020
Datum publicatie
10-11-2020
Zaaknummer
19/4290 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij het bestreden besluit is de indeling van de functie van appellante in een van de generieke functieprofielen van het FIR terecht gehandhaafd. Inpassing berust op voldoende gronden. Het college heeft aan de hand van de rol, het resultaat, de problematiek, de handelingsvrijheid en de contacten van de functie gemotiveerd uiteengezet waarom het functieprofiel Uitvoerend Medewerker C het meest passende profiel is voor de functie. Ook is vermeld waarom de functie niet is ingedeeld in een van de hogere functieprofielen. Geen grond voor het oordeel dat het college aan de functie-indeling een verdergaande terugwerkende kracht had moeten verlenen dan tot 1 april 2014.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 4290 AW

Datum uitspraak: 5 november 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 9 september 2019, 19/263 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.K.B. Kögging, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kögging. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Dijk.

OVERWEGINGEN

1. Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) in werking getreden.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de AW 2017 behouden krachtens deze wet genomen

besluiten die zijn genomen voor 1 januari 2020 hun geldigheid. Ingevolge artikel 16,

tweede lid, van de AW 2017 blijft ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of

beroep in te stellen alsmede de behandeling van zodanig bezwaar of beroep tegen een op

grond van deze wet genomen besluit of handeling dat voor 1 januari 2020 is bekendgemaakt,

het recht van toepassing zoals dat gold voor 1 januari 2020.

2.1.

Appellante was sinds 1 juni 2011 als [naam functie 1] op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam bij de [naam stichting] (stichting). Zij verrichtte daar uitsluitend werkzaamheden voor de gemeente Hengelo. Per 1 april 2014 is zij in tijdelijke dienst aangesteld bij de gemeente Hengelo in de functie [naam functie 2] (schaal 2 met 8 periodieken) bij de [naam organisatie] ([organisatie]) van de Sector [sector], waar zij dezelfde werkzaamheden als bij de stichting is gaan vervullen. Per 1 april 2014 is de naam van de functie [naam functie 1] [organisatie]. De tijdelijke aanstelling is per 1 maart 2015 omgezet in een vaste aanstelling. Appellante is op 17 januari 2017 uitgevallen voor haar werk wegens ziekte.

2.2.

Na een voornemen daartoe, waarover appellante haar zienswijze naar voren heeft gebracht, heeft het college bij besluit van 16 augustus 2018 de functie [naam functie 1] [organisatie] met ingang van 1 april 2014 ingedeeld in het generieke functieprofiel Uitvoerend medewerker C met code OS04 (schaal 4 met 11 periodieken) van het Functie Indelingsraster (FIR).

2.3.

Bij besluit van 17 december 2018 (bestreden besluit) heeft het college het tegen het besluit van 16 augustus 2018 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.

4. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden gekeerd tegen de beslissing van de rechtbank om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Bij het bestreden besluit is de indeling van de functie van appellante in een van de generieke functieprofielen van het FIR gehandhaafd. Het FIR is een generiek functiewaarderingssysteem. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 6 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2652) is de rechterlijke toetsing bij de inpassing in een generieke functie terughoudend. Die toetsing is beperkt tot de vraag of de inpassing op voldoende gronden berust. Dit betekent dat de bestreden inpassing niet in stand kan blijven als deze onhoudbaar is. Daarvoor is ontoereikend dat inpassing in een ander, hoger gewaardeerd functieprofiel op zichzelf verdedigbaar is.

5.2.

Volgens eveneens vaste rechtspraak strekt een generieke functietypering naar haar aard tot een globale beschrijving van taken waaronder uiteenlopende individuele functies zijn te vatten en heeft zij dus niet het oog op een uitputtende beschrijving van concrete individuele werkzaamheden (uitspraak van 18 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1069).

5.3.

De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat de indeling van de functie [naam functie 1] [organisatie] de onder 5.1 vermelde beperkte toetsing kan doorstaan en heeft de in beroep aangevoerde gronden gemotiveerd verworpen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Wat appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht, komt inhoudelijk overeen met de eerder aangevoerde beroepsgronden. De Raad overweegt daarover als volgt.

5.4.

Bij de indeling van de functie [naam functie 1] [organisatie] is bepalend geweest welke karakteristieken en resultaatgebieden in overwegende mate van toepassing zijn op de functie. Het college heeft aan de hand van de rol, het resultaat, de problematiek, de handelingsvrijheid en de contacten van de functie [naam functie 1] [organisatie] gemotiveerd uiteengezet waarom het functieprofiel Uitvoerend Medewerker C het meest passende profiel is voor de functie [naam functie 1] [organisatie]. Ook is vermeld waarom de functie niet is ingedeeld in een van de hogere functieprofielen, Uitvoerend Medewerker A (schaal 6) of B (schaal 5).

5.5.

Uit de gedingstukken blijkt dat de functie [naam functie 1] [organisatie] in 2011 als afzonderlijke functie in het leven is geroepen om mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt een goede plek te bieden. Appellante, die al als administratief medewerker werkzaam was bij de stichting, is die functie gaan vervullen. Appellante heeft niet betoogd dat het functieprofiel Uitvoerend Medewerker C niet passend is bij de functie [naam functie 1] [organisatie]; zij acht indeling in dat profiel onhoudbaar omdat een ander functieprofiel, te weten dat van de Uitvoerend medewerker A (primair) dan wel B (subsidiair) meer passend is. Dat de functie [naam functie 1] [organisatie] inhoudelijk hetzelfde is als de functie [naam functie 1] Documentaire Informatievoorziening (DIV), zoals appellante heeft gesteld, heeft appellante niet aannemelijk gemaakt. Het college heeft gemotiveerd uiteengezet dat het takenpakket, de problematiek en de resultaatgebieden van de [naam functie 1] DIV veelomvattender zijn dan die van de functie [naam functie 1] [organisatie]. Dat de [naam functie 1] DIV deels ook werkzaamheden voor het [organisatie] verricht maakt dat niet anders. De functie [naam functie 1] [organisatie] kent geen meervoudige problematiek in de zin van het FIR, nu er geen dwarsverbanden zijn met andere taken in dezelfde functie. De door appellante overgelegde werkinstructie biedt geen steun voor haar stelling dat zij net als de [naam functie 1] DIV controlewerkzaamheden verricht, omdat in deze werkinstructie niet alleen de werkprocessen van de functie [naam functie 1] [organisatie] zijn beschreven, maar ook en vooral die van andere functies. Voor zover in de functie [naam functie 1] [organisatie] ook kenmerken voorkomen uit de naast hogere functieprofielen, is dat ontoereikend voor de conclusie dat inpassing in het functieprofiel Uitvoerend Medewerker C onhoudbaar is.

5.6.

De Raad ziet evenals de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het college aan de functie-indeling een verdergaande terugwerkende kracht had moeten verlenen dan tot 1 april 2014. Hij onderschrijft de overwegingen van de rechtbank op dit onderdeel. In hoger beroep zijn geen andere concrete feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit zou kunnen worden geconcludeerd dat het college zeggenschap had over de arbeidsvoorwaarden die de stichting hanteerde.

5.7.

Uit 5.1 tot en met 5.6 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt, voor zover aangevochten, bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2020.

(getekend) H. Lagas

(getekend) R.H. Koopman