Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2711

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-09-2020
Datum publicatie
05-11-2020
Zaaknummer
19/742 ANW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Proces-verbaal mondelinge uitspraak. Terecht nabestaandenuitkering beƫindigd met ingang van 1 juni 2017 omdat appellante niet langer ten minste 45% arbeidsongeschikt wordt geacht. Deugdelijke medische grondslag. Voorgehouden functies passend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 742 ANW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 januari 2019, 18/1649 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 24 september 2020

Zitting hebben: M.A.H. van Dalen-van Bekkum

Griffier: B.H.B. Verheul

Ter zitting zijn verschenen: appellante, bijgestaan door haar advocaat mr. M.A. Spek; namens de Svb mr. A. Marijnissen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1. Bij besluit van 29 maart 2017 is de nabestaandenuitkering van appellante beƫindigd met ingang van 1 juni 2017 omdat zij niet langer ten minste 45% arbeidsongeschikt wordt geacht.

Bij beslissing op bezwaar van 29 januari 2018 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 28 maart 2017 ongegrond verklaard. Daarbij is verwezen naar het advies van het Uwv dat is opgesteld na beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat ook psychosociale factoren een rol kunnen spelen bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid. Appellante heeft na het overlijden van haar man in 1997 zeven kinderen alleen moeten opvoeden. Zij heeft nimmer scholing gehad en is analfabeet. Bovendien heeft zij geen enkele werkervaring.

4.1.

Het gaat in dit geval om de vraag of appellante op en na 1 juni 2017 arbeidsongeschikt is in de zin van de Algemene nabestaandenwet (ANW). Volgens artikel 11 van de ANW is arbeidsongeschikt in de zin van de ANW degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid 55% te verdienen van hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. Arbeid is daarbij alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe die persoon met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Volgens vaste rechtspraak wordt bij de toepassing van artikel 11 van de ANW zo mogelijk aansluiting gezocht bij de regelgeving en de rechtspraak met betrekking tot het begrip arbeidsongeschiktheid in de arbeidsongeschiktheidswetten.

4.2.

In hoger beroep is niet gesteld dat de medische grondslag van het bestreden besluit onjuist is. Op de zitting is toegelicht dat van appellante niet kan worden gevergd dat zij na al die jaren, zonder enige werkervaring, nog inkomensvormende arbeid gaat verrichten. De Raad begrijpt dat appellante dit zo voelt. Beoordeeld moet echter worden of appellante arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 11 van de ANW. Gelet op de stukken is de Raad van oordeel dat dit niet het geval is. Het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. In de functionele mogelijkhedenlijst is rekening gehouden met alle aandoeningen van appellante, ook met het feit dat zij psychisch verminderd belastbaar is. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante bevestigd dat de voorgehouden functies passend zijn wanneer wordt uitgegaan van de juistheid van de functionele mogelijkhedenlijst. Met name is rekening gehouden met het feit dat appellante ongeschoold is en geen enkele werkervaring heeft. De door appellante genoemde uitspraak van de Raad van 24 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1598, betreft, zoals ter zitting besproken, een heel andere situatie en kan niet afdoen aan dit oordeel.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) B.H.B. Verheul (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum