Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2702

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-11-2020
Datum publicatie
05-11-2020
Zaaknummer
18/5465 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht WGA-uitkering beëindigd. Zorgvuldig onderzoek door de verzekeringsartsen. Geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen. Met de belasting in de geselecteerde functies wordt de belastbaarheid van appellante niet overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 5465 WIA

Datum uitspraak: 4 november 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 11 september 2018, 17/3193 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Akkas, advocaat, hoger beroep ingesteld. Appellante heeft medische informatie overgelegd.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidskundige bezwaar en beroep.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden via videobellen op 14 oktober 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Akkas. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als schoonmaakster voor 15,27 uur per week. Op 12 maart 2007 heeft zij zich ziek gemeld met hartritmestoornissen. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 26 april 2009 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv appellante met ingang van 26 april 2011 een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%.

1.2.

In verband met een herbeoordeling heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2 november 2016. Een arbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Het Uwv heeft bij besluit van 6 december 2016 de WGA-uitkering van appellante met ingang van

7 februari 2017 beëindigd, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 23 juni 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 20 juni 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv de WIA-uitkering van appellante terecht met ingang van 7 februari 2017 beëindigd. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek van het Uwv zorgvuldig is verricht. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat, gelet op de hoeveelheid medische informatie in bezwaar, het niet op de weg van de verzekeringsarts bezwaar en beroep had gelegen om meer informatie, bijvoorbeeld inzake de allergieën van appellante, bij de behandelaren op te vragen. De rechtbank heeft ook geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep meer lichamelijke beperkingen had moeten aannemen. Hierbij is overwogen dat uit de medische informatie niet volgt dat appellante meer beperkt is. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor een hernia of artrose en geen belangrijke cardiale pathologie. Uit de informatie van de gynaecoloog van 23 december 2016 en van de radioloog van 2 februari 2017 blijkt niet dat appellante niet zou mogen tillen of geen inspannende handelingen zou mogen verrichten. Ook zijn er onvoldoende aanwijzingen dat er sprake is van ernstige migraine waardoor appellante niet zou kunnen functioneren. Met de allergie van appellante is voldoende rekening gehouden. De rechtbank heeft evenmin aanleiding gezien voor het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep meer psychische beperkingen had moeten aannemen. In de FML zijn diverse beperkingen opgenomen die rekening houden met de depressieve stoornis die matig van ernst is. Naar het oordeel van de rechtbank moet appellante dan ook in staat worden geacht de geselecteerde functies uit te oefenen. De arbeidsdeskundige heeft

gemotiveerd dat de geduide functies geschikt zijn, nu daarin niet wordt gewerkt met stoffen

waarvoor appellante allergisch is. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan dat oordeel te

twijfelen. De beroepsgrond van appellante dat zij niet geschikt is voor (met name) de functie van assistent consultatiebureau omdat zij de Nederlandse taal onvoldoende machtig is, slaagt niet. De rechtbank heeft hierbij voorop gesteld dat op grond van artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten een mondelinge beheersing van de Nederlandse taal als een algemeen gebruikelijke bekwaamheid moet worden beschouwd en binnen zes maanden moet kunnen worden verworven, tenzij betrokkene niet over dergelijke bekwaamheden beschikt en als gevolg van ziekte of gebrek dergelijke bekwaamheden niet kan verwerven. Appellante heeft geen gegevens overgelegd op grond waarvan aannemelijk is dat zij niet beschikt over een zekere beheersing van de Nederlandse taal en dat zij – als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken - deze bekwaamheid niet binnen zes maanden kan verwerven. Daarbij komt dat uit het dossier is gebleken dat appellante reeds lange tijd in Nederland woont, zij al meerdere banen heeft gehad en in Turkije op LBO-niveau is opgeleid, waarmee zij heeft aangetoond dat zij leervermogen heeft. De rechtbank heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van de Raad van 19 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1909.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat onvoldoende rekening is gehouden met haar lichamelijke en psychische klachten. Appellante heeft gesteld dat zij in bezwaar, beroep en hoger beroep meerdere stukken heeft ingediend waaruit blijkt dat zij lijdt aan een depressieve stoornis, migraine, artrose, hernia, hartklachten en allergie waarvoor zij medicijnen gebruikt. Appellante heeft meegedeeld dat inmiddels is vastgesteld dat zij lijdt aan PTSS. Appellante heeft aangevoerd dat zij de klachten, behorend bij de diagnose PTSS, ook al op de datum in geding ondervond maar dat destijds de oorzaak van deze klachten en de bij deze klachten behorende beperkingen niet zijn onderkend. Door de verzekeringsartsen zijn beperkingen aangenomen maar die zijn te laag ingeschaald. Hierdoor zijn voor appellante functies geselecteerd die zij onmogelijk kan vervullen. Appellante heeft herhaald dat en waarom zij zich niet in staat acht de bij de functies behorende werkzaamheden te verrichten. In de functie machinaal metaalbewerker wordt zij geacht dingen te maken maar zij is voor de draden die ze daarbij zou moeten gebruiken allergisch. Het precisiewerk zal moeilijk zijn door concentratieproblemen. Daarbij zal zij bij deze functie moeten duwen en trekken en dat kan zij niet door de pijnklachten in de rug. Als gevolg van haar allergie voor carbamaatverbindingen is de functie assistent consultatiebureau niet geschikt omdat zij daarbij in contact zal komen met rubberspeelgoed. Appellante heeft aangevoerd dat zij de functies ook niet kan vervullen omdat in de laatste 30 jaar is gebleken dat zij niet in staat is de Nederlandse taal te leren. Appellante heeft ter ondersteuning van haar standpunten in hoger beroep gewezen op verwijzing door haar huisarts op 12 december 2018 naar de specialistische GGZ voor begeleiding van appellante. Daarnaast heeft appellante een brief van

18 september 2020 overgelegd van haar fysiotherapeut M. Modares.

3.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar de in hoger beroep ingezonden rapporten van

29 november 2018 van de arbeidskundige bezwaar en beroep en van 19 februari 2019 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 7 februari 2017 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht de WGA-uitkering van appellante heeft beëindigd.

4.3.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat sprake is van een zorgvuldig onderzoek door de verzekeringsartsen. Wat de rechtbank hierover in de aangevallen uitspraken heeft overwogen wordt onderschreven.

4.4.

Ook heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De medische informatie die appellante in hoger beroep heeft overgelegd biedt geen steun voor het standpunt dat haar beperkingen door het Uwv zijn onderschat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kan worden gevolgd in diens conclusie dat de verwijzing door de huisarts naar de specialistische GGZ voor begeleiding geen aanleiding geeft om de FML aan te passen. In de informatie van de huisarts wordt verwezen naar een brief van 13 februari 2017 van psycholoog S. Türk. De brief van psycholoog Türk met de daarin vermelde diagnose depressieve stoornis, recidiverend, matig is in het eerdere onderzoek in bezwaar al meegewogen. In de brief van 18 september 2020 van de fysiotherapeut Modares, waarin staat dat appellante op 12 april 2018 is aangemeld voor behandeling, ziet de Raad geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel met betrekking tot de datum

7 februari 2017.

4.5.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 2 november 2016 heeft de rechtbank terecht overwogen dat met de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies de belastbaarheid van appellante niet wordt overschreden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in een nader rapport van 29 november 2018 voldoende inzichtelijk gemaakt dat direct contact met rubber speelgoed in de functie assistent consultatiebureau kan worden vermeden. Er wordt geen reden gezien aan deze nadere toelichting te twijfelen. Ook in hoger beroep heeft appellante haar standpunt dat zij niet in staat is de Nederlandse taal te leren niet met medische informatie onderbouwd. Duwen en trekken komt niet voor in de functie machinaal metaalbewerker en voor de kunststofdraden is zij niet allergisch. De overige door appellante gestelde arbeidskundige gronden houden niet meer in dan de stelling dat er meer medische beperkingen zijn dan door het Uwv zijn aangenomen. Zoals hiervoor is overwogen, wordt deze stelling niet gevolgd.

4.6.

De overwegingen in 4.1 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van M. Géron als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2020.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) M. Géron