Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2686

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-11-2020
Datum publicatie
05-11-2020
Zaaknummer
20/607 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij aangetekende brief van 24 juni 2020 is appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald op het bezoekadres van de Raad. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.

Op 15 juli 2020 is de nota retour ontvangen met de mededeling “niet afgehaald”. Uit de Basisregistratie Personen blijkt dat het adres van appellant juist is. Bij brief van 17 juli 2020 zendt de Raad opnieuw de aangetekende brief van 24 juni 2020 aan appellant toe. Hierbij wordt meegedeeld dat met het opnieuw toezenden van de aangetekende brief niet opnieuw een termijn gaat lopen. Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald. Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 3 november 2020

20/607 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
20 december 2019, 19/2678 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Noordoostpolder

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Bij brief van 21 februari 2020 is appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 131,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.

Bij brief van 10 maart 2020 heeft appellant een beroep op betalingsonmacht gedaan.

Bij brief van 14 april 2020 is appellant gewezen op de criteria die gelden voor het aannemen van ‘betalingsonmacht’. Appellant is een termijn van twee weken gegeven om door middel van het invullen en retourneren van het bij de brief gevoegde formulier te reageren op voornoemde brief. Daarbij is appellant erop gewezen dat het beroep op betalingsonmacht wordt afgewezen als het formulier niet op tijd is teruggestuurd, niet compleet is ingevuld en/of gegevens ontbreken en dat er geen gelegenheid is tot aanvulling van het formulier of de gegevens.

Appellant heeft dit formulier ingevuld en ingezonden. De Raad heeft het op 30 april 2020 ontvangen.

Bij brief van 6 mei 2020 heeft de Raad een inkomensverklaring van appellant opgevraagd bij de Raad voor Rechtsbijstand.

Bij brief van 27 mei 2020 heeft de Raad voor Rechtsbijstand de inkomensverklaring van appellant overgelegd.

Bij brief van 28 mei 2020 is aan appellant een termijn van twee weken gegeven om door middel van het invullen en retourneren van de bij de brief gevoegde verklaring te reageren, nu de gegevens in de inkomensverklaring niet actueel waren. Daarbij is appellant er op gewezen dat het beroep op betalingsonmacht wordt afgewezen als het formulier niet op tijd is teruggestuurd, niet compleet is ingevuld en/of gegevens ontbreken en dat er geen gelegenheid is tot aanvulling van het formulier of de gegevens.

Appellant heeft hierop niet gereageerd.

Bij brief van 22 juni 2020 heeft de Raad appellant medegedeeld dat het beroep op betalingsonmacht is afgewezen omdat hij niet heeft voldaan aan het verzoek van de Raad om de informatie over te leggen waaruit blijkt dat appellant het griffierecht niet kan betalen. Daarbij is appellant medegedeeld dat hij een nieuwe nota griffierecht zal ontvangen en is hem verzocht het griffierecht binnen de op de nota gestelde termijn te betalen. Voorts is erop gewezen dat overschrijding van die termijn kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep.

Bij aangetekende brief van 24 juni 2020 is appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald op het bezoekadres van de Raad. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.

Op 15 juli 2020 is de nota retour ontvangen met de mededeling “niet afgehaald”. Uit de Basisregistratie Personen blijkt dat het adres van appellant juist is.

Bij brief van 17 juli 2020 zendt de Raad opnieuw de aangetekende brief van 24 juni 2020 aan appellant toe. Hierbij wordt meegedeeld dat met het opnieuw toezenden van de aangetekende brief niet opnieuw een termijn gaat lopen.


Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.

Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke, in tegenwoordigheid van N. Khachatryan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2020.

(getekend) A.M. Overbeeke

(getekend) N. Khachatryan

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.