Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2683

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-11-2020
Datum publicatie
05-11-2020
Zaaknummer
17/6188 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om terug te komen van het besluit van 25 februari 2003. Toetsingskader. Na het bestreden besluit bekend geworden stukken. De aanvraag van appellant van 22 maart 2016 is een herhaling van de aanvraag waarop het Uwv bij het oorspronkelijke – in rechte vast staande – besluit van 25 februari 2003 heeft beslist. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Wat appellant heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. In situaties als de onderhavige, waarin afwisselend wel en niet via een uitzendbureau wordt gewerkt en waarin door betrokkene regelmatig is gewerkt, kan er in beginsel van worden uitgegaan dat het niet werkzaam zijn voortvloeit uit de persoonlijke voorkeur van betrokkene, zulks behoudens sterke aanwijzingen van het tegendeel (zie de uitspraak van de Raad van 11 mei 1999, ECLI:NL:CRVB:ZB8379). Appellant is er op basis van de door hem ingediende medische stukken niet in geslaagd dit tegendeel aannemelijk te maken. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6188 WAO

Datum uitspraak: 4 november 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 juli 2017, 16/9529 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N. Türkkol, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en op de nadere stukken gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2020. Appellant is verschenen samen met begeleider [naam] , bijgestaan door mr. Türkkol. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als uitzendkracht in dienst van uitzendbureau Manpower en is op 24 september 2001 uitgevallen voor zijn werkzaamheden als productiemedewerker. Het Uwv heeft bij het besluit van 25 februari 2003 aan appellant met ingang van 23 september 2002 een uitkering toegekend op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Bij dit besluit heeft het Uwv het dagloon op grond van artikel 14, aanhef, eerste lid, onder b, van het toen van toepassing zijnde Besluit dagloonregelen WAO (Dagloonregelen) evenredig verlaagd met de factor 220/261, omdat appellant tijdens het refertejaar, dat loopt van 24 september 2000 tot 24 september 2001, volgens het Uwv uit eigen verkiezing niet op alle dagen in dat refertejaar heeft gewerkt. Daarbij is het Uwv uitgegaan van 200 werkdagen en 20 vakantiedagen. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dit besluit in rechte vaststaat.

1.2.

Op 21 maart 2016 heeft appellant het Uwv verzocht om terug te komen van het besluit van 25 februari 2003 in die zin dat de evenredige verlaging van het dagloon met terugwerkende kracht ongedaan wordt gemaakt. Aan zijn verzoek heeft appellant ten grondslag gelegd dat hij door ziekte niet in staat was om alle dagen in het refertejaar werkzaam te zijn.

1.3.

Bij besluit van 15 april 2016 heeft het Uwv geweigerd om terug te komen van het besluit van 25 februari 2003. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en daarbij medische informatie ingediend. Bij beslissing op bezwaar van 2 november 2016 (bestreden besluit), aangevuld bij brief van 11 november 2016, heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die aanleiding geven om terug te komen van het besluit van 25 februari 2003. Evenmin is sprake van feiten of omstandigheden die aanleiding geven om de WAO-uitkering te herzien per de datum van het verzoek op 21 maart 2016. Het Uwv heeft daarbij verwezen naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 oktober 2016, aangevuld bij rapport van 10 november 2016.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv terecht overwogen dat er geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat het Uwv bevoegd was het verzoek af te wijzen. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat niet is gebleken dat het bestreden besluit evident onredelijk is. De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gerapporteerd dat hij niet weerlegt dat appellant geregeld verzuimde, noch dat appellant gezondheidsklachten had in de referteperiode, maar dat er onvoldoende aanleiding is om het verzuim te verklaren op basis van arbeidsbeperkingen als gevolg van ziekte of gebrek. De rechtbank is van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om de inzichtelijk onderbouwde conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat uit de medische stukken blijkt dat in de periode van september 2000 tot september 2001 sprake was van een ernstige psychiatrische problematiek en dat er een causaal verband bestond tussen zijn ziekte en de niet gewerkte dagen tijdens het refertejaar. Volgens appellant moeten de door hem ingediende medische stukken wel worden gekwalificeerd als nieuwe feiten en omstandigheden. Hij verwijst daarnaast naar een brief van psychiater P. van Winckel van 10 oktober 2017.

3.2.

Het Uwv heeft om bevestiging van de aangevallen uitspraak verzocht.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Voor het toetsingskader wordt verwezen naar rechtsoverweging 4 van de aangevallen uitspraak. Daaraan wordt toegevoegd dat volgens vaste rechtspraak, de uitspraak van 14 september 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB3594, in de situatie waarin het bestuursorgaan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb heeft toegepast, aan de na het bestreden besluit bekend geworden stukken voorbij wordt gegaan. Het bestuursorgaan heeft in het bestreden besluit daarover immers geen beslissing kunnen nemen.

4.2.

De aanvraag van appellant van 22 maart 2016 is een herhaling van de aanvraag waarop het Uwv bij het oorspronkelijke – in rechte vast staande – besluit van 25 februari 2003 heeft beslist. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

4.3.

Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 oktober 2016 blijkt dat de door appellant in de onderhavige procedure ingediende medische stukken geen informatie bevatten die ten tijde van het oorspronkelijke besluit, waaraan een rapport van de verzekeringsarts van 17 februari 2003 ten grondslag lag, niet bekend was. De verzekeringsarts beschikte in 2003 over de informatie van de GGZ, de Riagg en de huisarts en was bekend met de opname bij de afdeling PAAZ in december 2001 gedurende twee maanden, Dit blijkt uit het aan de verzekeringsarts gerichte verslag van de vervolgbehandeling na de opname in de PAAZ en de aan de verzekeringsarts gerichte informatie van 21 maart 2003 van psychiater Van Winckel. De rechtbank heeft dan ook op goede gronden geoordeeld dat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. De in hoger beroep door appellant ingediende brief van psychiater Winckel van 10 oktober 2017 dateert van na het bestreden besluit, zodat daaraan gelet op 4.1 in dit kader voorbij wordt gegaan.

4.4.

Uit de uitspraak van de Raad van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872, volgt dat een vaststelling dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden de afwijzing van een herhaalde aanvraag in beginsel kan dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag evident onredelijk is. Wat appellant heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

4.5.

In verband met de duuraanspraak moet ook worden beoordeeld of het dagloon voor de toekomst, vanaf het verzoek van 21 maart 2016, moet worden herzien.

4.6.

Artikel 14, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dagloonregelen WAO, luidde ten tijde van het oorspronkelijke besluit als volgt:

“1. Het volgens de voorgaande artikelen berekende dagloon wordt evenredig verlaagd voor de uitkeringsgerechtigde, die

b. uit eigen verkiezing placht afwisselend wel en niet werkzaam te zijn; “.

4.7.1.

In situaties als de onderhavige, waarin afwisselend wel en niet via een uitzendbureau wordt gewerkt en waarin door betrokkene regelmatig is gewerkt, kan er in beginsel van worden uitgegaan dat het niet werkzaam zijn voortvloeit uit de persoonlijke voorkeur van betrokkene, zulks behoudens sterke aanwijzingen van het tegendeel (zie de uitspraak van de Raad van 11 mei 1999, ECLI:NL:CRVB:ZB8379).

4.7.2.

Appellant is er op basis van de door hem ingediende medische stukken niet in geslaagd dit tegendeel aannemelijk te maken. Daartoe wordt overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 26 oktober 2016 uitvoerig is ingegaan op de door appellant ingediende medische stukken. Daarbij is gemotiveerd dat niet blijkt dat tijdens de referteperiode sprake was van een zich installerende depressie (of een ander ziektebeeld) die leidde tot functionele beperkingen en structurele arbeidsongeschiktheid. Het nu en dan een dag afwezig zijn op het werk past niet bij het beeld van een manifeste depressieve stoornis of een ander ernstig psychisch ziektebeeld, maar eerder bij situationele problemen en/of zorgen. Verder volgt uit het rapport van de verzekeringsarts van 17 februari 2003 dat sinds september 2001 bij appellant sprake is van langdurig onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren, maar dat hij voorafgaande aan die datum beduidend beter functioneerde in de verschillende rollen (goede zelfverzorging, een actief privéleven met in voldoende mate sociale contacten en relaties buitenhuis). Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 18 maart 2020 er op gewezen dat appellant zich in de referteperiode geen enkele keer heeft ziek gemeld. Dat psychiater Van Winckel in zijn brief van 10 oktober 2017 zonder nadere motivering of toelichting vermeldt dat er ook al in de periode van september 2000 tot september 2001 sprake was van ernstige psychiatrische problematiek welke zeer interfereerde met de mogelijkheden tot het verrichten van loonvormende arbeid, in die zin dat er noemenswaardige beperkingen waren, leidt in het licht van de in 4.1 genoemde rechtspraak en gelet op de inzichtelijk onderbouwde conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet tot een ander oordeel.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en H.G. Rottier en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van C. van de Ven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2020.

(getekend) J.S. van der Kolk

De griffier is verhinderd te ondertekenen.