Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2682

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-11-2020
Datum publicatie
05-11-2020
Zaaknummer
17/6186 TW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De toeslag op grond van de TW moet als eigendom in de zin van artikel 1 van het EP worden aangemerkt. Wat de Raad heeft overwogen in de uitspraken van 1 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3872 en ECLI:NL:CRVB:2016:3873, die betrekking hebben op de Participatiewet, is ook van toepassing op de TW. Dat betekent eveneens, zoals blijkt uit de voornoemde uitspraken, dat de vraag of de toepassing van de kostendelersnorm tot een buitensporig zware last leidt, individueel moet worden beoordeeld. Appellant heeft niet door middel van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat zijn financiële situatie, met inbegrip van de met zijn broer en zijn gezin te delen woonkosten, door toepassing van de kostendelersnorm leidt of heeft geleid tot een onhoudbare situatie of tot een buitensporig zware last. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat wat appellant heeft aangevoerd onvoldoende is om te oordelen dat de verlaging van de toeslag als gevolg van de toepassing van de kostendelersnorm in zijn situatie leidt tot een buitensporig zware last. Het hoger beroep slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/500
NJB 2020/2749
USZ 2020/296
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6186 TW

Datum uitspraak: 4 november 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 juli 2017, 16/7492 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N. Türkkol, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2020. Appellant is verschenen samen met begeleider [naam] , bijgestaan door mr. Türkkol. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontvangt sinds 23 september 2002 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Appellant heeft op 27 april 2005 een formulier ‘Toeslag aanvragen’ ingediend. Op het formulier heeft appellant vermeld dat hij alleenstaand is en bij zijn broer en diens gezin woont. Bij besluit van 7 maart 2005 heeft het Uwv met ingang van 1 maart 2005 een toeslag van € 4,36 per dag toegekend op grond van de Toeslagenwet (TW), waarbij is uitgegaan van een toeslag voor ongehuwden/alleenstaanden.

1.2.

Bij brief van 29 maart 2016 heeft het Uwv appellant bericht dat vanaf 1 juli 2016 de toeslag kan veranderen omdat door gewijzigde regelgeving het vanaf dat moment uitmaakt of iemand alleenstaand of alleenstaand-woningdeler is (kostendelersnorm). Bij een alleenstaand‑woningdeler wordt de toeslag verlaagd, omdat het sociaal minimum in een aantal stappen wordt verlaagd tot ongeveer 50% van het minimumloon. Bij besluit van 16 juni 2016 heeft het Uwv de toeslag met ingang van 1 juli 2016 verlaagd van € 5,73 bruto per dag naar € 0,97 bruto per dag. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 8 augustus 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan deze besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant de woning deelt met ten minste één medebewoner en daarom wordt aangemerkt als alleenstaand-woningdeler. Voor de door appellant in bezwaar genoemde situatie dat hij niet alleen kan wonen en hoge kosten heeft, is in de TW geen uitzondering gemaakt.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het Uwv terecht aan appellant een toeslag voor een alleenstaand-woningdeler heeft toegekend op grond van artikel 2, zevende lid, van de TW omdat appellant een woning deelt met zijn broer en diens echtgenote. Appellant voldoet niet aan de uitzondering voor uitkeringsgerechtigden die op commerciële basis bij een derde inwonen, zoals bedoeld in artikel 2, negende lid, aanhef en onder b, van de TW. De omstandigheid dat appellant niet alleen zou kunnen wonen vanwege zijn psychische gesteldheid moet volgens de rechtbank buiten beschouwing worden gelaten. De wetgever heeft er bewust voor gekozen om de kostendelersnorm ook van toepassing te laten zijn op personen die een woning delen met een bloedverwant in de eerste of tweede graad en waarbij sprake is van een zorgbehoefte (Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 19, blz. 15-16). Tevens volgt uit de uitspraak van de Raad van 1 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3875, dat de redenen van de gezamenlijke bewoning los staan van de voordelen waarmee de kostendelersnorm rekening houdt.

2.2.

De rechtbank heeft overwogen dat geen sprake is van schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Zoals de Raad in de uitspraken van 1 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3872 en ECLI:NL:CRVB:2016:3873, heeft overwogen is bij toepassing van de kostendelersnorm weliswaar sprake van inmenging in het eigendomsrecht, maar van betekenis is dat deze inmenging bij wet is voorzien en daaraan een legitieme doelstelling in het algemeen belang ten grondslag ligt. De vraag of sprake is van een voor een gerechtvaardigde inmenging in het eigendomsrecht vereist proportioneel middel, dan wel of toepassing van de kostendelersnorm tot een buitensporig zware last leidt, moet, zoals blijkt uit de voornoemde uitspraken, individueel worden beoordeeld. Wat appellant in dit verband heeft aangevoerd, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te oordelen dat in zijn situatie sprake is van een buitensporig zware last. Ten aanzien van de grond van appellant dat hij hoge kosten heeft wegens medicijngebruik, sluit de rechtbank aan bij het standpunt van het Uwv dat het uit de door appellant overgelegde onderbouwing voornamelijk blijkt te gaan om voedingssupplementen. Daarnaast heeft appellant weliswaar een door zijn huisarts voorgeschreven recept voor cannabisolie overgelegd, maar bewijs van zijn stelling dat de kosten hiervan niet worden vergoed door de zorgverzekeraar ontbreekt.

3.1.

Appellant voert in hoger beroep aan dat er wel degelijk sprake is van schending van artikel 1 van het EP. De toepassing van de kostendelersnorm is in zijn geval niet proportioneel ten opzicht van de daarmee beoogde doelen. Er is geen sprake van het stapelen van uitkeringen en hij kan niet zelfstandig wonen. Hij wordt onevenredig zwaar getroffen en kan de benodigde medische kosten niet betalen. Ter zitting heeft appellant nader toegelicht dat de cannabisolie en de overige homeopatische middelen die hij gebruikt, niet worden vergoed door de verzekering en een aanvraag voor bijzondere bijstand in de daarmee gemoeide kosten is afgewezen. Zonder deze middelen kan hij helemaal niet functioneren. Hij kan de middelen niet zelf betalen en deze kosten worden momenteel voorgeschoten door het Zorg en Veiligheidshuis.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Gelet op het verhandelde ter zitting ziet het geschil in hoger beroep uitsluitend op de vraag of sprake is van schending van artikel 1 van het EP.

4.2.

Tussen partijen is niet in geding en ook de Raad is van oordeel dat de toeslag op grond van de TW als eigendom in de zin van artikel 1 van het EP moet worden aangemerkt. Met invoering van de kostendelersnorm in de TW heeft een inmenging bij wet plaatsgevonden in het recht van appellant op een ongestoord genot van zijn eigendom als bedoeld in de eerste zin van artikel 1 van het EP. De onder 2.2 genoemde uitspraken hebben betrekking op de Participatiewet, maar wat in die uitspraken is overwogen is ook van toepassing op de TW. Dat betekent eveneens, zoals blijkt uit de voornoemde uitspraken, dat de vraag of de toepassing van de kostendelersnorm tot een buitensporig zware last leidt, individueel moet worden beoordeeld.

4.3.

Appellant heeft niet door middel van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat zijn financiële situatie, met inbegrip van de met zijn broer en zijn gezin te delen woonkosten, door toepassing van de kostendelersnorm leidt of heeft geleid tot een onhoudbare situatie of tot een buitensporig zware last. In dat kader is van belang dat de WAO-uitkering van appellant tot 1 januari 2017 werd aangevuld met een toeslag. Ter zitting is namens het Uwv duidelijk gemaakt dat appellant per de datum in geding door de gewijzigde toeslag circa € 60,- per maand netto minder aan uitkering ontvangt. De WAO-uitkering en toeslag bedroeg per datum in geding netto € 855,22. Appellant heeft aangevoerd dat hij maandelijks € 300,- aan huur en € 200,- voor boodschappen aan zijn broer betaalt. Appellant heeft niet onderbouwd wat hij maandelijks uitgeeft aan voedingssuplementen en homeopatische middelen en of dit noodzakelijk is. Uit de uitspraak van de Raad van 3 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:986, waarbij de weigering van bijzondere bijstand aan appellant ten tijde hier van belang onderwerp van geschil was, blijkt dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn dat de verstrekking van bijzondere bijstand aan appellant voor de aanschaf van de homeopatische middelen onvermijdelijk is om te voorkomen dat hij in een acute noodsituatie geraakt. Dat appellant geen conventionele medicatie wil gebruiken vanwege de bijwerkingen en dat hij enige baat heeft bij de homeopatische middelen is volgens de Raad in deze uitspraak niet toereikend om een zeer dringende reden aan te nemen die noopt tot het verstrekken van bijzondere bijstand.

4.4.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat wat appellant heeft aangevoerd onvoldoende is om te oordelen dat de verlaging van de toeslag als gevolg van de toepassing van de kostendelersnorm in zijn situatie leidt tot een buitensporig zware last.

4.5.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en H.G. Rottier en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van C. van de Ven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2020.

(getekend) J.S. van der Kolk

De griffier is verhinderd te ondertekenen