Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:259

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-02-2020
Datum publicatie
07-02-2020
Zaaknummer
18/4801 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De omstandigheden die appellant in verband met de discriminatie heeft aangevoerd hoefden de korpschef niet tot het oordeel te brengen dat bij appellant sprake was van een onbillijkheid van overwegende aard die aanleiding zou moeten zijn om appellant met toepassing van artikel 55v van het Barp per 1 juli 2016 te plaatsen in de functie van Senior tactische opsporing. In rechte onaantastbare besluiten worden in een procedure als deze als een gegeven beschouwd. Hoger beroep slaagt niet. Overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase met ruim twee maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18/4801 AW en 18/4802 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

24 juli 2018, 16/7743 en 17/1475 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade.

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

Datum uitspraak: 6 februari 2020

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)

PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Naar aanleiding van het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2019. Appellant is verschenen. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A.M. Bot.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 1 oktober 1995 in dienst van de politieregio [naam regio] en vanaf 1 januari 2013 van de Nationale Politie. Vanaf 3 december 2005 was appellant werkzaam als rechercheur A. In die functie is hij in 2008 aangewezen als [specialiteit] in het kader van het Team [naam team] [naam regio]. In verband met het nieuwe functiegebouw voor de sector Politie, aangeduid als Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP), is de functie van rechercheur A als de uitgangspositie van appellant voor zijn toekomstige LFNP-functie vastgesteld. Als opgedragen specifieke werkzaamheden zijn daarbij vastgesteld: [specifieke werkzaamheden]. De korpschef heeft op 16 december 2013 besloten tot toekenning en overgang van appellant per 1 januari 2012 naar de LFNP-functie Generalist Tactische Opsporing, schaal 7.

1.2.

Ten behoeve van de reorganisatie van de politie heeft de korpschef bij besluit van 1 december 2015 de functie van Generalist Tactische Opsporing, schaal 7, met de plaats van tewerkstelling [A], als oorspronkelijke functie van appellant vastgesteld. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 18 mei 2016 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard onder overname van het advies van de Bezwaaradviescommissie HRM kamer PREO.

1.3.

Na een daarop gericht voornemen, waartegen appellant bedenkingen kenbaar heeft gemaakt, heeft de korpschef appellant bij besluit van 10 juni 2016 per 1 juli 2016 als functievolger in de nieuwe politieorganisatie geplaatst als Generalist Tactische Opsporing, schaal 7, bij de eenheid [eenheid], Districtsrecherche met als plaats van tewerkstelling [A]. De korpschef heeft hierbij het advies en de motivering van de Plaatsingsadviescommissie overgenomen. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 18 januari 2017 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard onder overname van het advies van de Bezwaaradviescommissie HRM kamer PREO.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Kort samengevat heeft de rechtbank geoordeeld dat de bestreden besluiten 1 en 2 in overeenstemming zijn met het toepasselijke en door haar beschreven wettelijk kader. Het beroep van appellant op de hardheidclausule van artikel 55v van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) is door de rechtbank niet gehonoreerd. In de door appellant aangevoerde feiten en omstandigheden, waaronder een beroep op het gelijkheidsbeginsel, zag de rechtbank geen grond om appellant te moeten plaatsen in de functie Senior tactische opsporing. De rechtbank is appellant ook niet gevolgd in de stelling dat de bestreden besluiten 1 en 2 onzorgvuldig zijn voorbereid.

3. In hoger beroep heeft appellant met name het oordeel van de rechtbank over de hardheidclausule aangevochten. Vanwege de lange duur van de behandeling van de procedure over de vaststelling van de oorspronkelijke functie heeft appellant met een beroep op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) een verzoek om schadevergoeding gedaan wegens de schending van de redelijke termijn.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft in hoger beroep geen specifieke hoger beroepsgronden aangevoerd tegen wat de rechtbank heeft overwogen met betrekking tot het wettelijk toetsingskader voor de vaststelling van de oorspronkelijke functie en de plaatsing in de nieuwe politiereorganisatie en haar oordeel hierover. De Raad zal zijn oordeel daarom toespitsen op de vraag of de korpschef aanleiding had behoren te zien om appellant met toepassing van artikel 55v van het Barp te plaatsen in de schaal 8 functie Senior Tactische Opsporing.

4.2.

In artikel 55v van het Barp is bepaald dat indien de toepassing van hoofdstuk VII.b (voorzieningen bij reorganisaties) of de nadere regels ter uitvoering van dit hoofdstuk in individuele gevallen leidt tot onbillijkheden van overwegende aard of indien sprake is van een bijzondere situatie van een individuele herplaatsingskandidaat, het bevoegd gezag, na afweging van de belangen van het individu en van de organisatie, kan afwijken van dit hoofdstuk of van de nadere regels ter uitvoering van dit hoofdstuk.

4.3.

Appellant heeft in hoger beroep opnieuw gewezen op de discriminatie in 2011 bij het volgen van een toegezegde stage met het oog op het vervullen van de functie van recherchecoördinator (reco-stage) en dat hij daardoor een reële kans heeft gemist op een tijdige benoeming als recherchecoördinator, schaal 8. Collega’s van autochtone afkomst met minder ervaring, competenties en bekwaamheden kregen de reco-stage wel. Door het ontbreken van de reco-stage is hij vervolgens tweemaal afgewezen voor de functie van recherchecoördinator.

4.4.

Met betrekking tot de door het College voor de Rechten van de Mens erkende discriminatie bij het volgen van de reco-stage verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 25 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3215, waarbij de Raad in het oordeel van het College voor de Rechten van de Mens onvoldoende basis heeft gezien om appellant te volgen in zijn visie dat daarbij sprake is geweest van discriminatie, onderdrukking, belemmering en machtsmisbruik. Het verzoek van appellant om herziening van deze uitspraak is afgewezen bij uitspraak van 7 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3528. In het begeleidingsformulier functioneringsgesprekken van het gesprek van 29 december 2010 is vermeld dat appellant in verband met zijn verdere ontwikkeling een stage als recherchecoördinator zal gaan volgen en dat deze naar verwachting begin 2011 zal aanvangen. Anders dan appellant meent ligt in deze bewoordingen geen (harde) toezegging besloten over het tijdstip van aanvang van de reco‑stage. Het prestatie- en potentieel-beoordelingsformulier, dat door de beoordelingsautoriteit op 10 januari 2012 voor bekrachtiging is ondertekend, vermeldt onder het kopje ‘Groeimogelijkheid’ dat appellant binnen nu en een jaar kan doorgroeien naar een zwaardere functie. Anders dan appellant meent houdt dit geen afspraak in dat hij binnen een jaar (gerekend vanaf januari 2012) doorgroeit naar een hoger schaalniveau; het is een verwachting over de mogelijkheden van appellant. Het verslag van de door appellant gevolgde reco-stage over het tijdvak 8 september 2012 tot 22 februari 2013 laat zien dat appellant een goede ontwikkeling heeft doorgemaakt. Hij heeft de desbetreffende competenties ontwikkeld, maar een verdere ontwikkeling is nodig. Daarvoor denkt de beoordelaar aan een coördinatiefunctie binnen de lokale of centrale recherche, zoals een senior rechercheur lokaal of centraal. De veronderstelling van appellant dat hij, in het geval hij al in 2011 zou zijn toegelaten tot de reco-stage, een zeer grote kans zou hebben gehad op een snelle benoeming als recherchecoördinator vindt aldus geen bevestiging in de uitslag van de door hem in 2012-2013 gevolgde reco-stage. Met betrekking tot de vergelijking die appellant maakt met enige collega’s volstaat de Raad met de opmerking dat over deze collega’s geen concrete informatie bekend is die het mogelijk maakt hun situatie te vergelijken met die van appellant. De omstandigheden die appellant in verband met de discriminatie heeft aangevoerd hoefden de korpschef niet tot het oordeel te brengen dat bij appellant sprake was van een onbillijkheid van overwegende aard die aanleiding zou moeten zijn om appellant met toepassing van artikel 55v van het Barp per 1 juli 2016 te plaatsen in de functie van Senior tactische opsporing.

4.5.

Appellant heeft, ten dele met verwijzingen naar de door hem hiervoor bedoelde discriminatie, ook onjuist genoemd de besluiten van de korpschef, houdende vaststelling van zijn uitgangspositie voor de toekomstige LFNP-functie, de toekenning en overgang naar de LFNP-functie en twee afwijzingen op sollicitaties naar de functie van recherchecoördinator in 2011 en 2012. Deze besluiten staan in rechte vast. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:608) worden dergelijke in rechte onaantastbare besluiten in een procedure als deze als een gegeven beschouwd. De korpschef hoefde daarom ook in deze door appellant aangevoerde omstandigheden geen aanleiding te zien om bij appellant een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 55v van het Barp aanwezig te achten.

4.6.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

Schadevergoeding ingevolge artikel 6 van het EVRM

4.7.1.

In verband met het verzoek om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn wordt voorop gesteld dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken als deze in beginsel niet is overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingstermijn te rechtvaardigen.

4.7.2.

Voor de procedure over de vaststelling van de oorspronkelijke functie betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door de korpschef, vermoedelijk kort na 8 januari 2016, tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en ongeveer een maand verstreken. Noch de zaak zelf die niet als complex is aan te merken, noch de opstelling van appellant geven aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De behandeling van het bezwaar heeft ruim vier maanden geduurd, de behandeling door de rechtbank en de Raad heeft drie jaar en ruim acht maanden geduurd. Alleen bij de behandeling in de rechterlijke fase heeft dus een overschrijding van de toegestane behandelingsduur van drie en een half jaar plaatsgevonden. Wanneer voor het eerst in hoger beroep verzocht wordt om veroordeling tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, dan wordt daarbij de rechterlijke behandelingstermijn in totaal in aanmerking genomen. Anders dan appellant veronderstelt kan in hoger beroep niet voor het eerst gevraagd worden om schadevergoeding wegens overschrijding van de behandelingsduur door alleen de rechtbank (uitspraak van 13 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3601).

4.7.3.

In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. Nu geen aanleiding bestaat om bij appellant van een ander bedrag uit te gaan, wordt het bedrag van de immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn met ongeveer een maand vastgesteld op € 500,-. De Staat zal veroordeeld worden tot vergoeding van deze schade.

4.8.

Aanleiding bestaat de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 28,78 aan reiskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan

appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten
van appellant tot een bedrag van € 28,78.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T van den Corput in tegenwoordigheid van T. Ali als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2020.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) T. Ali