Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2543

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
22-10-2020
Zaaknummer
19/2535 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:3729, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mate van arbeidsongeschiktheid voor de Wet WIA terecht vastgesteld op 56,75%. Medisch onderzoek door de verzekeringsarts zorgvuldig geweest en er bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts. Inzichtelijk en voldoende gemotiveerd dat in de geduide functies geen te hoge eisen worden gesteld aan de schriftelijke taalvaardigheid van appellant en zijn belastbaarheid ten aanzien van samenwerking met collega’s.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2535 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 mei 2019, 17/6410 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant 1] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 22 september 2020

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Igdeli, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege kan blijven, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als heftruckchauffeur voor 34 uur per week. Op 5 april 2015 heeft hij zich ziek gemeld met fysieke en psychische klachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv bij besluit van 6 februari 2017 aan appellant met ingang van 2 april 2017 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 47,41%.

1.2.

Het Uwv heeft het bezwaar van appellant tegen dit besluit bij besluit van 28 september 2017 (bestreden besluit) gegrond verklaard. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 56,75%. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 12 september 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 21 september 2017 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht dat hij zich niet kan verenigen met het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit. De klachten van appellant ten aanzien van het niet kunnen werken in kleine ruimten en koude komen wel degelijk voort uit zijn zeldzame bloedziekte. Appellant vreest voor de dood. Kleine ruimten herinneren hem aan de dood doordat hij zich dan opgesloten voelt, alsof hij zich in een doodskist bevindt. Hij kan daarom ook niet met zieke, oude mensen werken, omdat dit hem aan de dood herinnert. Een koude omgeving heeft ook een negatieve invloed op zijn lichamelijke situatie. Hierdoor krijgt hij klachten aan zijn rug, handen en voeten. Na gebruik van het geneesmiddel Dormocort voelt appellant zich suf. Aan deze bekende bijwerking is de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte voorbijgegaan. Wat de verzekeringsarts naar voren heeft gebracht over het persoonlijk risico is niet duidelijk, zodat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep daarmee niet uit de voeten kon. Over de geselecteerde functies heeft appellant zijn standpunt herhaald dat hij de Nederlandse taal niet op schrift beheerst. Functies die eisen stellen aan de schriftelijke beheersing van het Nederlands zijn daarom niet passend. Ten slotte meent appellant dat hij niet kan voldoen aan de in de functies behorend tot SBC-code 264122 (machinaal metaalbewerker) gestelde eisen tot samenwerking. Ook op dat punt betwist appellant de juistheid van het oordeel van de rechtbank.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 2 april 2017 heeft vastgesteld op 56,75%.

4.3.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De uitvoerig gemotiveerde overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Dat houdt ook in dat de overweging van de rechtbank over het werken in kleine ruimten en koude wordt onderschreven. Niet wordt getwijfeld aan het naar behoren gemotiveerde standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat dit ligt op klachtenniveau en dat het niet gaat om belasting waarvoor het vanuit de aanwezige ziekten of gebreken noodzakelijk is om deze werkzaamheden te vermijden. Ook de overweging van de rechtbank over de eventuele bijwerking van Dormocort wordt onderschreven, waarbij met name van belang is dat van sufheid niet is gebleken en dat appellant beperkt wordt geacht op verhoogd persoonlijk risico en niet beroepsmatig mag chaufferen.

4.4.

Uitgaande van de juistheid van de Functionele Mogelijkhedenlijst van 20 januari 2017 wordt ook het uitvoerig gemotiveerde oordeel van de rechtbank onderschreven dat de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies passend zijn voor appellant. Ook naar het oordeel van de Raad heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in de rapporten van 21 september 2017 en 12 december 2018 inzichtelijk en voldoende gemotiveerd uiteengezet dat in die functies geen te hoge eisen worden gesteld aan de schriftelijke taalvaardigheid van appellant en zijn belastbaarheid ten aanzien van samenwerking met collega’s.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2020.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) M. Graveland