Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2514

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
26-10-2020
Zaaknummer
19/705 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen herhaalde aanvraag bijzondere bijstand voor inrichtingskosten. Geen nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb aangeleverd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 705 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 29 september 2020

Proces verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 december 2018, 18/2428 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente Rotterdam (college)

Zitting heeft: M. ter Brugge

Griffier: Y. Al-Qaq

Appellant en zijn gemachtigde zijn met bericht niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Zonneveld.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1. Appellant heeft op 1 november 2017 bijzondere bijstand aangevraagd voor inrichtingskosten ter vervanging van zijn huisraad in verband met zijn verhuizing in juni 2015. Bij besluit van 28 november 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 maart 2018 (bestreden besluit), heeft het college deze aanvraag als een herhaalde aanvraag aangemerkt en met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen. Appellant had voor dezelfde kosten op 17 februari 2017 al een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend. Deze aanvraag heeft het college bij besluit van 21 maart 2017 afgewezen, waartegen appellant geen bezwaar heeft gemaakt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft als volgt overwogen, waarbij voor eiser appellant en voor verweerder het college moet worden gelezen:

“ (…) 4.3 Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (uitspraak van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3131) en de Raad (uitspraak van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872), is het uitgangspunt dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Dit geldt ook als de rechtzoekende aan zijn verzoek geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Het bestuursorgaan kan er op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb ook nog steeds voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn, de herhaalde aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Als het bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, dan toetst de bestuursrechter of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn.

4.4

Op grond van de in 4.3 beschreven rechtspraak kan eisers stelling dat ook bij een herhaalde aanvraag een volledige behandeling van de aanvraag in de rede ligt, niet worden gevolgd. Deze beroepsgrond wordt dan ook verworpen.

4.5

De rechtbank dient te beoordelen of verweerder zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt stelt dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Eiser stelt dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden omdat hij na de afwijzing van zijn eerste aanvraag onder bewind is gesteld. De rechtbank overweegt hierover dat de onderbewindstelling op zichzelf nog niet betekent dat eisers situatie inhoudelijk is veranderd ten opzichte van de situatie ten tijde van zijn eerdere aanvraag. Daarbij komt de onderbouwing van beide aanvragen op hetzelfde neer, namelijk dat eiser stelt dat hij niet in staat is om te reserveren. Zoals ook volgt uit vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 28 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2868) is het naar gesteld niet kunnen reserveren geen nieuw feit of veranderde omstandigheid. Ook deze beroepsgrond wordt dan ook verworpen.

4.6

Verweerder heeft dan ook terecht de aanvraag op grond van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb afgewezen. Dit betekent dat de overige beroepsgronden geen bespreking behoeven. (…) ”

De rechtbank heeft, anders dan appellant heeft aangevoerd, terecht geoordeeld dat appellant bij zijn aanvraag op 1 november 2017, geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld, zoals bedoeld artikel 4:6 van de Awb. De Raad kan zich vinden in de overwegingen van de rechtbank en de daarop gebaseerde conclusie, met dien verstande dat, zoals ook uit de in 4.5 vermelde uitspraak blijkt, het erom gaat dat de gestelde onmogelijkheid te reserveren al voor het eerdere besluit bestond. Tot slot voegt de Raad nog toe dat in wat appellant heeft aangevoerd evenmin aanleiding wordt gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) Y. Al-Qaq (getekend) M. ter Brugge