Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2510

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
02-11-2020
Zaaknummer
18/5569 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag bijzonder bijstand voor eigen bijdragen kosten rechtsbijstand. Niet tijdige aanvraag. Geen bijzondere omstandigheden om van beleid af te wijken. Geen noodzakelijke kosten in verband met ingeschakelde deskundige in procedure tegen het college omdat appellant de eigenaar van de door hem gehuurde woning aansprakelijk had kunnen stellen voor schade aan de woning in plaats van het college.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 5569 PW, 19/2463 PW

Datum uitspraak: 29 september 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van 14 september 2018, 17/3117 (aangevallen uitspraak 1) en van 2 mei 2019, 18/2781 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.M.A.F.C. Lienaerts, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken 19/1996 PW en 19/2461 PW plaatsgevonden op 21 juli 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Lienaerts. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.P.A. van Wijlick en mr. I.M. Meurkens-Mannens. Heden wordt in de zaken 19/1996 PW en 19/2461 PW afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 30 januari 2017 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) tot een bedrag van € 4.939,47. Deze aanvraag betreft diverse kosten voor eigen bijdragen van rechtsbijstand, van griffierecht en van een deskundigenrapport van Ingenieursbureau R.F.W. van Ratingen B.V. (deskundige) tot een bedrag van € 2.356,48.

1.2.

Bij besluit van 24 februari 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 augustus 2017 (bestreden besluit 1), heeft het college bijzondere bijstand toegekend voor de declaraties voor de eigen bijdragen rechtsbijstand van 27 december 2016, 9 januari 2017, 13 januari 2017 en 17 januari 2017 tot een bedrag van € 505,60 en de aanvraag voor het overige afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat kosten die gemaakt zijn voor de aanvraag niet worden vergoed. Het college voert een buitenwettelijk begunstigend beleid op grond waarvan een aanvraag kan worden toegewezen, als die is ingediend binnen twee maanden nadat de kosten zijn opgekomen. De declaraties die zijn gedateerd vóór 14 december 2016 zijn te laat ingediend. De aanvraag voor de kosten van het rapport van de deskundige is afgewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de PW. Dit zijn geen uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan.

1.3.

Appellant heeft op 31 maart 2018 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand op grond van de PW tot een bedrag van € 4.482,55. Deze aanvraag betreft diverse kosten van eigen bijdragen rechtsbijstand, van griffierecht, van de crematie van zijn moeder, van notariskosten en diverse nota’s van een dierenarts.

1.4.

Bij besluit van 23 mei 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 oktober 2018, (bestreden besluit 2) heeft het college de aanvraag afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat voor zover de nota’s dateren van twee maanden vóór de datum waarop de aanvraag is ingediend, deze te laat zijn ingediend. Voor zover de nota’s wel tijdig zijn ingediend wordt geen bijzondere bijstand verleend, omdat geen bijstand wordt verleend voor de aflossing van schulden. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 49, aanhef en onder b, van de PW.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 2 gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat het verzoek om bijzondere bijstand tot een bedrag van € 491,34 wordt toegewezen. Hieraan heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat de nota’s die ouder zijn dan twee maanden voorafgaand aan de aanvraag terecht zijn afgewezen omdat deze nota’s niet zijn ingediend binnen de door het college bij het buitenwettelijk begunstigend beleid vastgestelde termijn. De nota’s die bij de uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank van 14 maart 2018 reeds zijn vergoed zijn op grond daarvan terecht afgewezen. Ten aanzien van vier nota’s voor kosten van de eigen bijdrage rechtsbijstand die wel tijdig zijn ingediend heeft het college zijn buitenwettelijk begunstigend beleid niet consistent toegepast en de aanvraag voor wat betreft deze kosten ten onrechte afgewezen.

3. In de hoger beroepen heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de PW heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen, voor zover dat meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak inzake de toepassing van de artikelen 43 en 44 van de Wet werk en bijstand (uitspraak van 15 mei 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA6875), welke rechtspraak haar gelding heeft behouden na de inwerkingtreding van de artikelen 43 en 44 van de PW, wordt in beginsel geen bijzondere bijstand verleend voor kosten die zijn opgekomen voor de datum waarop de aanvraag om bijstand is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

4.3.

Niet in geding is dat het college een buitenwettelijk begunstigend beleid voert voor de gevraagde kosten. Hierin is bepaald dat een aanvraag om bijzondere bijstand moet worden ingediend binnen twee maanden nadat de kosten zijn opgekomen. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 8 februari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV3889) betekent dit dat de aanwezigheid en de toepassing van dit beleid als gegeven wordt aanvaard en dat alleen wordt getoetst of het op consistente wijze is toegepast.

4.4.

Vaststaat dat de aanvragen voor de niet vergoede kosten voor de eigen bijdragen voor de kosten van rechtsbijstand niet zijn ingediend binnen twee maanden nadat de kosten zijn opgekomen. Dit geldt eveneens voor de gevraagde kosten voor de crematie van de moeder van appellant, de notariskosten en de nota’s van een dierenarts. Gelet hierop heeft het college het beleid consistent toegepast.

4.5.

Appellant heeft zich in beide zaken op het standpunt gesteld dat in dit geval reden is om bijzondere bijstand voor de kosten van de eigen bijdragen rechtsbijstand en het griffierecht te verstrekken. Appellant is reeds jarenlang verwikkeld in een (hevige) juridische strijd met het college. Hierdoor is hij genoodzaakt om een extreem hoog aantal juridische procedures te voeren waardoor hij de eigen bijdragen voor de kosten van rechtsbijstand niet uit zijn eigen middelen kan voldoen. Tot 1 januari 2016 voerde het college een beleid waarin was bepaald dat de kosten voor de eigen bijdragen rechtsbijstand gedurende een kalenderjaar konden worden opgespaard en ingediend vóór 1 april van het daaropvolgende kalenderjaar. Nu kan dit slechts voor de kosten die in de laatste twee maanden zijn opgekomen. Dit maakt het voor appellant zeer moeilijk dan wel onmogelijk om juridische bijstand te verkrijgen. Voor de verstrekking van een toevoeging vereist de Raad voor de Rechtsbijstand (RvR) dat het financiële belang hoger is dan € 500,-. Appellant kan dit bedrag alleen halen indien hij meerdere eigen bijdragen combineert in één aanvraag. Gelet hierop is de periode van twee maanden in zijn situatie te kort.

4.6.

Wat appellant heeft aangevoerd vormt geen reden om bijzondere omstandigheden aan te nemen als bedoeld in 4.2. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 22 september 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9223) kan de noodzaak voor het maken van kosten van griffierecht in beginsel worden aangenomen als krachtens toevoeging rechtsbijstand is verleend. Indien van een toevoeging geen sprake is, dient het bijstandverlenend orgaan zich aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval zelfstandig een oordeel te vormen over de noodzaak van de gevoerde procedure. Het ligt dan op de weg van appellant, als aanvrager van de bijzondere bijstand, om de gestelde noodzakelijkheid van de procedure van een toereikende onderbouwing te voorzien en aannemelijk te maken. Ook in dat geval ligt het op de weg van appellant tijdig een aanvraag in te dienen. Bovendien is van de zijde van het college ter zitting meegedeeld dat indien appellant ten tijde van de aanvraag nog niet over de desbetreffende nota(’s) beschikt, hij altijd in de gelegenheid zal worden gesteld deze alsnog na ontvangst daarvan in te dienen.

4.7.

Voor zover appellant zich op het standpunt heeft gesteld dat hij door de termijn van twee maanden veelal niet kan voldoen aan de vereisten van de RvR, ligt het op zijn de weg zich met zijn probleem tot de RvR te wenden. Ten aanzien van de vergoeding van de kosten van griffierecht staat het appellant bovendien vrij om – indien daarvan sprake is – wegens betalingsonmacht te verzoeken om vrijstelling van deze kosten.

4.8.

Voor wat betreft de afwijzing van de kosten van het rapport van de deskundige heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de PW. Appellant heeft het rapport laten opstellen in verband met een procedure die hij tegen het college heeft aangespannen en waarin hij het college aansprakelijk heeft gesteld voor schade die aan de door appellant gehuurde woning is aangebracht. Deze kosten komen echter in het algemeen voor rekening van de eigenaar van de woning die immers de schade lijdt en die de huurder het ongestoorde huurgenot moet bieden. Appellant heeft geen onderbouwing kunnen geven waarom hij in dit geval als huurder deze kosten zou moeten dragen, zodat aangenomen moet worden dat dit geen kosten van appellant zijn.

4.9.

Uit 4.5 tot en met 4.8 volgt dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken 1 en 2 moeten worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken 1 en 2.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van R.I.S. van Haaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2020.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) R.I.S. van Haaren