Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2449

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-08-2020
Datum publicatie
14-10-2020
Zaaknummer
19/625 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na tussenuitspraak. Het Uwv heeft onderzoek verricht. Daaruit is gebleken dat appellant een PGB ontvangt dat is bedoeld voor persoonlijke verzorging en verpleging. Verder is uit het onderzoek gebleken, uit informatie van de behandelend sector en uit de bevindingen van de verzekeringsartsen tijdens het spreekuur en de hoorzitting, dat er per 17 maart 2017 geen medische noodzaak was om betrokkene min of meer constant onder toezicht te houden. De keuze van betrokkene om met een, naar hij zelf stelt ontoereikend PGB budget genoegen te nemen, kan niet worden afgewenteld op de Wet WIA. Anders dan de rechtbank, is de Raad van oordeel dat deze overtuigende motivering moet worden gevolgd. Het Uwv heeft deugdelijk gemotiveerd dat appellant een op zijn situatie van hulpbehoevendheid gericht PGB ontving (zie ook de uitspraak van de Raad van 29 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:396). Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen dat het Uwv voldoende heeft onderbouwd dat wat betreft de behoefte van oppassing en verzorging niet voldaan is aan de criteria voor verhoging tot 100% maar wel aan de criteria voor verhoging tot 85%, worden geheel onderschreven. Het hoger beroep van het Uwv slaagt en het incidenteel hoger beroep van betrokkene slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2020/275
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 625 WIA, 19/2083 WIA

Datum uitspraak: 25 augustus 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep tegen de tussenuitspraak van 28 november 2018 en de uitspraak van 27 december 2018 van de rechtbank Limburg, 18/147 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te Venray (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. T.H.M.M. Kusters een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft naar aanleiding van het incidenteel hoger beroep een zienswijze en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 14 juli 2020. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Kusters. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M.C. Bastings.

OVERWEGINGEN

1.1.

Het Uwv heeft betrokkene per 30 april 2015 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Vanaf 1 februari 2016 ontvangt betrokkene een IVA-uitkering. Op 17 maart 2017 heeft hij het Uwv verzocht om de WIA-uitkering per die datum te verhogen wegens hulpbehoevendheid.

1.2.

Het Uwv heeft bij besluit van 8 juni 2017 de aanvraag van betrokkene afgewezen omdat uit verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebleken dat betrokkene niet aan de voorwaarden voldoet. Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij besluit van 7 december 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en bepaald dat betrokkene in aanmerking komt voor een verhoging van de WIA-uitkering. Volgens het Uwv voldoet betrokkene medisch gezien niet aan de voorwaarden voor verhoging van de uitkering tot 100% van het dagloon, maar wel aan de voorwaarden voor een verhoging tot 85%. Omdat betrokkene een andere voorziening heeft, een persoonsgebonden budget (PGB), die in belangrijke mate in de behoefte aan oppassing en verzorging voorziet, wordt de uitkering echter niet verhoogd.

2.1.

De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 28 november 2018 overwogen dat het Uwv voldoende heeft onderbouwd dat wat betreft de behoefte van oppassing en verzorging niet voldaan is aan de criteria voor verhoging tot 100% maar wel aan de criteria voor verhoging tot 85%. Volgens het Uwv moet het PGB geacht worden volledig in de behoefte aan verpleging en verzorging te voorzien en moet betrokkene zich tot de zorgverzekeraar wenden als hij vindt dat het PGB tekortschiet. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv niet heeft beoordeeld of met het PGB in belangrijke mate, dat wil zeggen substantieel, in verzorging en oppassing is voorzien. Het PGB betreft in elk geval uitdrukkelijk niet oppassing en het is niet zonder meer duidelijk in welke mate het de behoefte aan verzorging dekt. Niet onaannemelijk is dat feitelijk veel meer uren aan zorgtaken voor betrokkene worden besteed. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat in de Beleidsregel verhoging uitkering bij hulpbehoevendheid van 23 oktober 2007, Stcrt 2007, 241 (Beleidsregel) geen aanknopingspunten te vinden zijn om te oordelen dat het Uwv bij de beoordeling of een andere voorziening in belangrijke mate in de behoefte aan verzorging voorziet, geen eigen verantwoordelijkheid heeft wat betreft het vaststellen van de omvang van de verzorgingsbehoefte en niet zou moeten uitgaan van een voorziening zoals die feitelijk is toegekend. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv nader had moeten onderzoeken of de toegekende PGB in belangrijke mate (substantieel) in de behoefte aan verzorging voldoet.

2.2.

Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid het door de rechtbank geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Het Uwv heeft in een reactie van 7 december 2018 aangevoerd dat het PGB in belangrijke mate voorziet in de ‘geregelde verzorging’. Ten aanzien van de definitie ‘in belangrijke mate’ is het Uwv van mening dat er sprake moet zijn van een situatie van weliswaar minder dan 50%, maar wel van iets substantieels. Het Uwv heeft ter ondersteuning van dit standpunt verwezen naar een tweetal uitspraken van de Raad van 22 december 2010, (ECLI:NL:CRVB:2010:BO9525) en 25 januari 2011, (ECLI:NL:CRVB:2011:BV2699). Volgens het Uwv voldoet 6 + 1 uur per week aan deze maatstaf en wordt door middel van de PGB in voldoende mate voorzien in de verzorging.

2.3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geconstateerd dat het Uwv het geconstateerde gebrek niet heeft hersteld. De rechtbank heeft daarom het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen binnen zes weken opnieuw op het bezwaar te beslissen.

3.1.

Het Uwv heeft in hoger beroep aangevoerd dat in het kader van de uitvoering van artikel 53 van de Wet WIA de voornoemde Beleidsregel wordt gehanteerd en dat die Beleidsregel hier juist is toegepast. Het Uwv heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar de genoemde uitspraken van de Raad van 22 december 2010 en 25 januari 2011. Daarin is geoordeeld dat de Beleidsregel de rechterlijke toets kan doorstaan. In de toelichting bij de Beleidsregel is in verband met artikel 3 het volgende opgenomen: "Bij voorzieningen die in de behoefte aan oppassing en verzorging voorzien, gaat het om collectieve voorzieningen (al dan niet in natura) die in beginsel voor alle ingezetenen/verzekerden op grond van de wettelijke bepalingen en al dan niet tegen betaling van een eigen bijdrage beschikbaar zijn." Het Uwv heeft aangevoerd dat betrokkene, gelet op zijn situatie, in aanmerking komt voor een PGB op grond van de zorgverzekeringswet. Op grond van artikel 13a, eerste lid van de Zorgverzekeringswet moet een door de zorgverzekeraar toegekend PGB passen bij de nood en behoeften van de degenen aan wie het PGB is toegekend. Van het toegekende PGB kan gesteld worden dat deze in belangrijke mate voorziet in de behoefte van de betrokkene. Het Uwv heeft de uitspraak van de Raad van 15 januari 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:42) in die zin uitgelegd. Voor zover het PGB op het moment van de aanvraag om verhoging niet in belangrijke mate voorzag in de verzorging en verplegingsbehoefte, dan was er volgens het Uwv voor de betrokkene op grond van de Zorgverzekeringswet de mogelijkheid deze meer in overeenstemming met zijn behoeftes te krijgen. Dus is sprake van een beschikbare voorziening als bedoeld in de toelichting bij artikel 3 van de Beleidsregel zodat een uitbetaling van de verhoging naar 85% niet aan de orde is. In dit verband heeft het Uwv ook gewezen op het Reglement Persoonsgebonden Budget Verpleging en Verzorging van de zorgverzekeraar van betrokkene. Het Uwv heeft een kopie van de versie van het Reglement uit 2016 bijgevoegd. In artikel 4 van het Reglement staat dat de aanvraag door de PGB-houder wordt gedaan in samenspraak met een HBO-verpleegkundige en deze aanvraag afgestemd moet worden op de zorgbehoefte van de aanvrager. Op basis van dit artikel stelt het Uwv zich op het standpunt dat het toegekende PGB verpleging en verzorging in overeenstemming is dan wel gebracht kan worden met de behoefte aan verzorging en verpleging van betrokkene.

3.2.

Betrokkene heeft gereageerd en gesteld dat hij het eens is met de overwegingen en de beslissing van de rechtbank met betrekking tot de beslissing van het Uwv om op grond van de PGB de uitkering niet te verhogen.

3.3.

Betrokkene heeft in incidenteel hoger beroep aangevoerd dat er bij hem op de datum in geding sprake was van een situatie dat hij bij alle dan wel nagenoeg alle essentiële dagelijks terugkerende levensverrichtingen hulp nodig heeft en continue oppassing noodzakelijk is. Ten tijde van de datum in geding kwam het regelmatig voor dat betrokkene viel en dan hulp nodig had bij het opstaan. Daarnaast had betrokkene hulp nodig bij het toilet bezoek. Betrokkene lijdt aan colitis Ulcerosa en daarom is het van cruciaal belang dat hij bij aandrang een bezoek aan het toilet brengt. In slechte perioden betekent dit dat betrokkene soms wel 12 keer op een dag naar het toilet moet. Op grond hiervan is betrokkene van mening dat hij voldoet aan de criteria van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregel op grond waarvan hij in aanmerking zou moeten komen voor verhoging van zijn uitkering tot 100% van het dagloon. Subsidiair meent betrokkene dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Beleidsregel.

3.3.

Het Uwv heeft in een reactie op de gronden van het incidentele hoger beroep onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsartsen meegedeeld het standpunt te handhaven dat betrokkene per 17 maart 2017 niet heeft voldaan aan de voorwaarden voor verhoging tot 100%.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4. Voor de toepasselijke wettelijke bepalingen in de WIA en de Beleidsregel en voor het voor dit geding relevante deel uit de toelichting op de Beleidsregel, wordt verwezen naar de overwegingen 5 tot en met 7 van de aangevallen tussenuitspraak.

Ten aanzien van het hoger beroep van het Uwv

5.1.

Tussen parttijen is in geschil of het Uwv terecht heeft beslist dat voor een verhoging op grond van het bepaalde in artikel 53 van de WIA geen aanleiding was omdat door het PGB reeds in belangrijke mate in de behoefte aan oppassing en verzorging van appellant werd voorzien. Het Uwv heeft gesteld dat hij zich kon beperken tot het onderzoeken of er sprake was van een toegekend PGB voor oppassing en verzorging.

5.2.

Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen dient het Uwv te onderzoeken of uit hoofde van een andere voorziening reeds in belangrijke mate in de behoefte van oppassing en verzorging van de verzekerde wordt voorzien. Dat onderzoek heeft het Uwv verricht. Daaruit is gebleken dat appellant een PGB ontvangt dat is bedoeld voor persoonlijke verzorging en verpleging. Verder is uit het onderzoek gebleken, uit informatie van de behandelend sector en uit de bevindingen van de verzekeringsartsen tijdens het spreekuur en de hoorzitting, dat er per 17 maart 2017 geen medische noodzaak was om betrokkene min of meer constant onder toezicht te houden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft tevens geconstateerd dat op die datum geen sprake is van een situatie dat betrokkene hulp nodig heeft in alle, althans de meeste dagelijkse levensverrichtingen. Aan betrokkene is een PGB budget in verband met verpleging en verzorging toegekend en daarmee is volgens het Uwv in belangrijke mate in de behoefte van verzorging van de verzekerde voorzien, terwijl een voorziening voor oppassing niet nodig was. De keuze van betrokkene om met een, naar hij zelf stelt ontoereikend PGB budget genoegen te nemen, kan niet worden afgewenteld op de Wet WIA. Anders dan de rechtbank, is de Raad van oordeel dat deze overtuigende motivering moet worden gevolgd. Het Uwv heeft deugdelijk gemotiveerd dat appellant een op zijn situatie van hulpbehoevendheid gericht PGB ontving (zie ook de uitspraak van de Raad van 29 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:396). Voor een nog verderstrekkend onderzoek door het Uwv was geen reden.

5.3.

Hieruit volgt dat het hoger beroep van het Uwv voor zover het betreft de opdracht tot het opnieuw nemen van een nieuw besluit slaagt en dat de aangevallen uitspraak in zoverre moet worden vernietigd.

Incidenteel hoger beroep betrokkene

6.1.

Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen dat het Uwv voldoende heeft onderbouwd dat wat betreft de behoefte van oppassing en verzorging niet voldaan is aan de criteria voor verhoging tot 100% maar wel aan de criteria voor verhoging tot 85%, worden geheel onderschreven. Het dossier bevat geen aanknopingspunten voor het oordeel dat in het geval van betrokkene per 17 maart 2017 gesproken moet worden van een situatie dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor verhoging tot 100%. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op basis van het medisch onderzoek en zijn eigen bevindingen tijdens de hoorzitting overtuigend gemotiveerd dat een dergelijke situatie zich niet voordoet bij betrokkene. Wat betrokkene in hoger beroep heeft aangevoerd geeft geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de medische situatie van betrokkene op de in geding zijnde datum 17 maart 2017.

6.2.

Het incidenteel hoger beroep van betrokkene slaagt niet.

6.3.

Uit 5.1 tot en met 6.2 volgt dat het hoger beroep van het Uwv slaagt en dat het incidenteel hoger beroep van betrokkene niet slaagt. Dit betekent dat de aangevallen tussenuitspraak moet worden vernietigd alsmede de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond heeft verklaard en het Uwv heeft opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Omwille van de duidelijkheid zal de Raad de aangevallen uitspraken vernietigen en doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 december 2017 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van C.I. Heijkoop als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2020.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

De griffier is verhinderd te ondertekenen