Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2445

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
19-10-2020
Zaaknummer
18/5171 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:6845, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel van 100% verlaging gedurende één maand. Niet voldaan aan sollicitatie afspraken. Verwijtbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 5171 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 29 september 2020

Proces verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 augustus 2018, 18/1619 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant 1] en [Appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Zitting heeft: J.N.A. Bootsma

Griffier: T. Ali

De zaak is behandeld op de zitting van 29 september 2020. Appellant is verschenen bijgestaan door mr. M. el Idrissi. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.E. van Dijk.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Dit betekent dat de maatregel van 100% verlaging van de bijstand gedurende de maand december 2017, omdat appellante niet heeft gesolliciteerd, terecht is.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar en gebaseerd op de volgende overwegingen.

Appellante heeft zich niet gehouden aan de afspraak om per week vijf sollicitaties te verrichten naar twee uur per week schoonmaakwerk aan het eind van de middag en het begin van de avond. Net als in beroep hebben appellanten, zonder onderbouwing, aangevoerd dat appellante niet heeft gesolliciteerd vanwege haar gezondheid en de zorg voor haar drie kinderen, van wie de middelste extra aandacht nodig heeft. In hoger beroep hebben zij daaraan toegevoegd dat hun jongste kind destijds jonger was dan vijf jaar.

De rechtbank heeft gemotiveerd overwogen dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat appellante geen enkel verwijt treft, zodat het college niet met toepassing van artikel 18, negende lid, van de Participatiewet (PW) van het opleggen van een maatregel heeft hoeven afzien omdat elke vorm van verwijtbaarheid zou ontbreken.

De rechtbank heeft verder gemotiveerd overwogen dat het college de omstandigheden van appellanten en hun mogelijkheden om middelen te verwerven bij zijn beoordeling heeft betrokken. Met zijn conclusie dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan dringende redenen noodzaakten tot het afstemmen van de maatregel, zoals bedoeld in artikel 18, tiende lid, van de PW, is het college naar het oordeel van de rechtbank de grenzen van een redelijke wetsuitleg niet te buiten gegaan.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit oordeel rust. Hij voegt daaraan nog toe, dat het gegeven dat het hebben van een kind van jonger dan vijf jaar in het beleid van het college voor een alleenstaande wel een grond is voor ontheffing van de arbeidsverplichting, hierin geen verandering brengt.

Het hoger beroep slaagt niet. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal,

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) T. Ali (getekend) J.N.A. Bootsma