Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2443

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
19-10-2020
Zaaknummer
19/3469 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alsnog verlenen algemene bijstand naar de norm van alleenstaande ouder in verband met afgeleid verblijfsrecht appellante. Met de aan de minderjarige zoon van appellante reeds verleende bijstand op grond van artikel 16 van de PW, wordt rekening gehouden bij het na te betalen bedrag aan bijstand aan appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2020/218
ABkort 2020/469
NJB 2020/2575
JWWB 2020/249
USZ 2020/279
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19/3469 PW en 19/4495 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 29 september 2020

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 juni 2019, 16/3091 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] (appellante) en [Appellant] (appellant) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. E.C. Weijsenfeld, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

Appellanten en het college hebben hun standpunten nader schriftelijk uiteengezet.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2020. Namens appellanten is verschenen mr. Weijsenfeld. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. W. van Beveren.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft de Filipijnse nationaliteit. Zij woont sinds 2008 in Nederland. Appellant is haar zoon. Hij is geboren [in] 2015 en heeft sinds de erkenning door zijn vader op 10 februari 2015 de Nederlandse nationaliteit. Appellanten zijn in [woonplaats] opgevangen door [naam stichting] ( [stichting] ).

1.2.

Bij besluit van 14 maart 2016, gehandhaafd bij het besluit van 19 mei 2016 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellante om bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) afgewezen op de grond dat zij niet (langer) beschikt over een verblijfstitel op grond waarvan recht op bijstand bestaat. Bij datzelfde besluit van 14 maart 2016 heeft het college appellant met ingang van 11 januari 2016 bijstand toegekend gelijk aan de bijstandsnorm voor een 18- tot 20-jarige (kinderbijstand). Bij besluit van 24 mei 2016 heeft het college appellant over de periode van 2 maart 2016 tot en met 28 februari 2017 bijzondere bijstand toegekend voor de woonkosten van [stichting] ten bedrage van € 425,- per maand.

1.3.

Appellanten hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij brieven van 14 februari 2017 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat de Raad in vergelijkbare zaken aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) heeft verzocht om een prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. De rechtbank heeft de behandeling van het beroep aangehouden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof.

1.4.

Het Hof heeft naar aanleiding van het hiervoor bedoelde verzoek om een prejudiciële beslissing arrest gewezen op 10 mei 2017, C-133/15, ECLI:EU:C:2017:354
(Chavez-Vilchez e.a.).

1.5.

Bij besluit van 26 juli 2017 heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag van appellante om een verblijfsvergunning gegrond verklaard en haar een verblijfsvergunning verleend met de beperking verblijf als familie- of gezinslid bij appellant, geldig van 26 juli 2017 tot en met 25 juli 2022. Na een daartoe ingediende aanvraag heeft het college bij besluit van 16 oktober 2017 appellante met ingang van 26 juli 2017 (de datum waarop een verblijfsvergunning is afgegeven) bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.6.

In reactie op de vraagstelling van de rechtbank aan het college over de betekenis van het arrest Chavez-Vilchez e.a. voor het beroep van appellanten heeft het college bij brief van
1 februari 2018 meegedeeld in de omstandigheden van appellante geen reden te zien om bijstand toe te kennen over een datum die ligt vóór 26 juli 2017.

1.7.

Op 5 oktober 2018 heeft het college de rechtbank schriftelijk meegedeeld dat de gemeente een afgeleid recht op bijstand erkent voor appellante vanaf 11 januari 2016 tot
26 juli 2017. Op 15 november 2018 heeft het college de rechtbank onder meer een berekeningsoverzicht toegezonden van de na te betalen algemene bijstand aan appellante, waarbij rekening is gehouden met het door appellanten in de periode van 11 januari 2016 tot 26 juli 2017 ontvangen leefgeld van [stichting] en de aan appellant verstrekte kinderbijstand en bijzondere bijstand voor de woonkosten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard, het beroep van appellante tegen het besluit van 5 oktober 2018 ongegrond verklaard en het college veroordeeld in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 512,-. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college op 5 oktober 2018 een vervangend besluit heeft genomen in de zin van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat met dit besluit niet volledig aan het beroep van appellante wordt tegemoetgekomen en dat het beroep mede gericht wordt geacht tegen dit besluit. Omdat appellante geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit, is het beroep in zoverre niet-ontvankelijk en bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante, welke kosten worden vastgesteld op een punt voor het indienen van het beroepschrift. Verder heeft de rechtbank overwogen dat wat appellante heeft aangevoerd geen grond vormt voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid gebruik mag maken van zijn bevoegdheid om de aan appellant toegekende bijzondere bijstand voor de woonkosten te verrekenen met de algemene bijstand van appellante over de periode van 11 januari 2016 tot 26 juli 2017. Een beroep van appellanten op het gelijkheidsbeginsel is bij de rechtbank niet geslaagd.

3.1.

In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe hebben appellanten – samengevat – aangevoerd dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college zijn gewijzigde standpunt niet in besluitvorming heeft vastgesteld, dat de rechtbank bij de vaststelling van de proceskosten ten onrechte geen punten heeft toegekend voor het bijwonen van de zitting bij de rechtbank en voor gemaakte kosten in bezwaar en dat het college ten onrechte de aan appellant verstrekte bijzondere bijstand voor de woonkosten heeft verrekend met de algemene bijstand van appellante.

3.2.

Bij besluit van 5 september 2019 heeft het college ter voorkoming van misverstanden aan appellanten meegedeeld dat het bestreden besluit is ingetrokken en dat appellante over de periode van 11 januari 2016 tot 26 juli 2017 bijstand is toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Bij de na te betalen bijstand heeft het college rekening gehouden met het door appellanten in voornoemd periode ontvangen bedrag aan leefgeld van [stichting] alsmede met de reeds aan appellant verstrekte kinderbijstand en bijzondere bijstand voor de woonkosten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Uit het onder 1.7 vermelde bericht van 5 oktober 2018 volgt dat het college het bestreden besluit niet handhaaft voor zover daarbij vanaf 11 januari 2016 geen bijstand is toegekend naar het voor appellante geldende normbedrag en alsnog een afgeleid recht op bijstand erkent voor appellante vanaf 11 januari 2016 tot 26 juli 2017. Zeker nu het college (ter voorkoming van misverstanden) dit nogmaals heeft bevestigd in het besluit van 5 september 2019, valt niet in te zien welk belang appellanten hebben bij hun beroepsgrond dat de rechtbank het bericht van 5 oktober 2018 niet als besluit had mogen aanmerken. Deze beroepsgrond wordt daarom niet besproken.

4.2.

Appellanten hebben aangevoerd dat voor verrekening van de aan appellant verstrekte bijzondere bijstand voor de woonkosten geen plaats is. Deze bijstand is verstrekt voor een bepaald doel, namelijk de opvang van appellanten, en mocht uitsluitend hieraan besteed worden. Het gaat niet om gewoon inkomen en het stond appellante ook niet vrij om dit bedrag aan een ander doel uit te geven. Zelfs een ruime uitleg van het middelenbegrip van artikel 31 van de PW kan niet aan het karakter van bijzondere bijstand voorbijgaan.

4.3.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Vooropgesteld wordt dat appellanten een gezin vormen als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder c, ten derde van de PW. Volgens het college had appellante over de periode vanaf 11 januari 2016 tot 26 juli 2017 geen recht op bijstand in verband met haar verblijfsstatus en kon aan haar zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16 van de PW geen bijstand worden verleend. Appellant is geen zelfstandig subject van bijstand. Hij is als minderjarige op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de PW uitgesloten van (algemene en bijzondere) bijstand. Uitsluitend met toepassing van artikel 16 van de PW heeft het college aan appellant bijstand kunnen toekennen, waarbij het college heeft gekozen voor de vorm van kinderbijstand en bijzondere bijstand voor de woonkosten. Deze bijstand strekte tot de voldoening van de algemene kosten van levensonderhoud, zoals huisvesting en bijbehorende nutsvoorzieningen, en had daarmee de functie van algemene bijstand. Als gevolg van het arrest van het Hof van 10 mei 2017 heeft het college alsnog een afgeleid recht op bijstand van appellante erkend en aan haar gezinsbijstand verleend met ingang van 11 januari 2016. Gelet op de eerdere bijstandsverlening zoals dat in dit geval heeft plaatsgevonden, heeft het college bij de vaststelling van het na te betalen bedrag aan bijstand terecht rekening gehouden met de al aan het gezin verstrekte en uitbetaalde bijstand over de periode vanaf 1 januari 2016 tot 26 juli 2017. Artikel 31 van de PW is, anders dan appellanten betogen, hier niet aan de orde.

4.4.

Het beroep van appellanten op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet, alleen al omdat uit de door appellanten overgelegde besluiten niet blijkt dat bijzondere bijstand aan een minderjarige kind was verleend voor woonkosten.

Proceskostenveroordeling

4.5.1.

Appellanten hebben aangevoerd dat de rechtbank heeft nagelaten de kosten te vergoeden die appellanten in verband met de behandeling van het bezwaar hebben moeten maken. Ook hebben appellanten aangevoerd dat de rechtbank bij de vaststelling van de proceskosten ten onrechte geen punt heeft toegekend voor het bijwonen van de zitting.

4.5.2.

Het college heeft, wat betreft de gemaakte kosten in bezwaar, zich op het standpunt gesteld dat de besluitvorming rechtmatig was voordat het onder 1.4 vermelde arrest van het Hof werd gewezen. Omdat herroeping van het bestreden besluit niet te wijten is aan het college, acht het college het niet terecht dat de door appellanten in bezwaar gemaakte kosten moeten worden vergoed.

4.5.3.

Het college wordt niet gevolgd in zijn standpunt. Het is vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 10 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2264) dat als door latere vestiging van rechtspraak eerder genomen en destijds rechtmatig gedachte besluiten in strijd met het recht blijken te zijn, het bestuursorgaan die omstandigheid niet met vrucht kan inroepen ter afwering van een kostenveroordeling. Dit geldt in dit geval ook voor het college. Dit betekent dat het besluit van 14 maart 2016 is herroepen wegens aan het college te wijten onrechtmatigheid waardoor sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. De beroepsgrond van appellanten slaagt.

4.5.4.

Artikel 8:75 van de Awb heeft betrekking op kosten gemaakt in verband met de behandeling van het beroep, welk beroep in beginsel ondeelbaar is. Gelet op artikel 6:19, eerste lid van de Awb heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op het besluit van 5 oktober 2018 tot wijziging van het bestreden besluit. Hieruit vloeit voort dat de in verband met de zitting gemaakte kosten van rechtsbijstand, zijnde redelijkerwijs gemaakte kosten, bij de vaststelling van de proceskosten in aanmerking moeten worden genomen. Zie hiervoor de uitspraak van de Raad van 22 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2208. Ook deze beroepsgrond van appellanten slaagt.

4.5.5.

Wat in 4.5.3 en 4.5.4. is overwogen, heeft de rechtbank niet onderkend. De rechtbank heeft daarom de kostenveroordeling op een te laag bedrag vastgesteld. Dit betekent dat het hoger beroep in zoverre slaagt en dat de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd voor zover het de kostenveroordeling in bezwaar en beroep betreft.

4.5.6.

Nu niet in geschil is dat het gaat om vier procespunten en dat de wegingsfactor 1 (gemiddeld) is, zal de Raad, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het college veroordelen in de kosten van appellanten in bezwaar en beroep tot een bedrag van € 2.100,-
(4 x € 525,-). Voor de volledigheid merkt de Raad nog op dat deze kostenveroordeling in de plaats komt van de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling van € 512,-.

Verzoek om immateriële schadevergoeding

4.6.1.

De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

4.6.2.

Voor de wijze van beoordeling van een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van
26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009, en het arrest van de Hoge Raad van
19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Hieruit volgt dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in beginsel niet is overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. De redelijke termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen en eindigt op het moment waarop de Raad uitspraak heeft gedaan. Bij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden, wordt de tijd die gemoeid is geweest met het verkrijgen van een prejudiciële beslissing buiten beschouwing gelaten. Dit geldt zowel voor zaken waarin prejudiciële vragen zijn gesteld als voor zaken die zijn aangehouden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen die in een vergelijkbare andere zaak zijn gesteld, indien het afwachten van die beslissing redelijk is. Verder is in beginsel een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.

4.6.3.

In het voorliggende geval geldt dat vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het college op 11 april 2016 tot de uitspraak van de Raad vier jaar, vijf maanden en drie weken zijn verstreken. Hiervan telt de periode tussen 14 februari 2017 en 10 mei 2017 niet mee in verband met de aanhouding van het beroep in eerste aanleg in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen door het Hof. Ook met inachtneming van deze termijn is de redelijke termijn van vier jaar overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden in de rechterlijke fase. Aan appellanten zal daarom een schadevergoeding van € 500,- worden toegekend, te betalen door de Staat.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.050,- voor verleende rechtsbijstand. De kostenveroordeling bedraagt dus in totaal (€ 1.050,- + € 1.050,- + € 1.050,- =) € 3.150,-. Tevens bestaat aanleiding om de Staat te veroordelen in de kosten van appellanten in de verzoekschriftenprocedure. Deze kosten worden begroot op € 262,50 voor verleende rechtsbijstand (indienen verzoekschrift met wegingsfactor licht).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het de kostenveroordeling betreft;

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellanten tot een bedrag van in totaal € 3.150,-;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellanten van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 262,50;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellanten het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 128,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van T. Ali als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2020.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) T. Ali