Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2432

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
12-10-2020
Zaaknummer
18/1504 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen bijzondere bijstand voor kosten ergonomische hulpmiddelen voor privégebruik. Zvw is voorliggende voorziening. Buitenwettelijk begunstigend beleid consistent toegepast. Voor zover appellante beoogt dat de aanvraag ziet op het kunnen voldoen aan verplichting tot arbeidsinschakeling, had zij daarvoor een separate aanvraag moeten doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2020/242
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1504 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 6 februari 2018, 17/4111 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (college)

Datum uitspraak: 29 september 2020

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Hoefs, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek ingediend om het college te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2020. Namens appellante is verschenen mr. M. Hoefs. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door T.M.M. Peeperkorn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 3 maart 2017 heeft appellante een aanvraag om bijzondere bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) ingediend voor de kosten van een ergonomisch toetsenbord, een ergonomische bureaustoel en een backjoy posture (ergonomische hulpmiddelen) tot een totaalbedrag van € 837,95.

1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag heeft een medewerker van de gemeente Alkmaar op 9 maart 2017 telefonisch contact opgenomen met appellante. Appellante heeft tijdens dit gesprek verklaard dat zij de ergonomische hulpmiddelen dagelijks nodig heeft in verband met het privégebruik van haar computer, bijvoorbeeld voor internetbankieren. Daarbij heeft appellante verklaard dat deze kosten geen verband houden met een re‑integratietraject. De medewerker heeft dit op diezelfde datum geverifieerd bij de klantmanager van appellante in verband met haar re‑integratietraject. De klantmanager heeft medegedeeld dat op dat moment appellante niet deelnam aan een re‑integratietraject. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport van 13 maart 2017.

1.3.

Bij besluit van 14 maart 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit 13 juli 2017 (bestreden besluit) heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat de kosten van de ergonomische hulpmiddelen behoren tot de algemeen gebruikelijke kosten van het bestaan. Deze kosten dienen uit het ter beschikking staande inkomen te worden voldaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank heeft hiertoe, voor zover van belang, overwogen dat het bestreden besluit gebaseerd is op een onjuiste grondslag en daarmee in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft voorts overwogen dat volgens vaste rechtspraak de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de daarop gebaseerde regelgeving voor de kosten van hulpmiddelenzorg in beginsel als een passende en toereikende voorliggende voorziening moet worden beschouwd. In deze regelgeving is een bewuste keuze gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van medische kosten. In gevallen waarin deze zorg, zijnde niet noodzakelijk, niet tot de prestaties behoren die op grond van het bij of krachtens de Zvw bepaalde voor vergoeding in aanmerking komen, staat het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van de Pw in beginsel aan bijstandverlening in de weg. Daaraan doet ook niet af dat de gemaakte kosten niet daadwerkelijk door de voorliggende voorziening worden vergoed. Niet gebleken is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW op grond waarvan het college tot bijstandsverlening had moeten overgaan. Gelet op voorgaande komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling op grond van artikel 35 van de PW.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand heeft gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft allereerst aangevoerd dat de Zvw voor de kosten van de ergonomische hulpmiddelen niet kan worden aangemerkt als een passende en toereikende voorliggende voorziening.

4.1.1.

Deze grond slaagt niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat volgens vaste rechtspraak de Zvw en de daarop gebaseerde regelingen in beginsel voor de kosten van hulpmiddelenzorg een passende voorliggende voorziening is als bedoeld in artikel 15 van de PW. Op grond van artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de PW bestaat geen recht op bijstand voor kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk zijn aangemerkt. Als in de voorliggende voorziening de bewuste keuze is gemaakt dat het vergoeden van deze kosten niet noodzakelijk is, kan de bijstandverlenende instantie daarvoor in beginsel geen bijzondere bijstand toekennen. Zie de uitspraak van 7 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO7435.

4.2.

Appellante heeft verder aangevoerd dat zij op grond artikel 14, onderdeel b, van de Beleidsregels bijzondere bijstand van de gemeente Alkmaar in aanmerking dient te komen voor bijzondere bijstand.

4.2.1.

Ingevolge deze bepaling bestaat voor de bijzondere extra noodzakelijke kosten door een ziekte of beperking recht op bijzondere bijstand. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om extra kosten voor ontwikkeling en ontspanning (inclusief seksuele dienstverlening), dieetkosten, maaltijdkosten, slijtage- en bewassingskosten en verwarmingskosten.

4.2.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Het beleid van het college, zoals onder 4.2.1 weergegeven, moet, voor zover hiermee de mogelijkheid wordt geboden om alsnog een vergoeding voor de kosten te krijgen in verband met verzorging, hulp en ondersteuning door ziekte of beperking, worden gekwalificeerd als buitenwettelijk begunstigend beleid. Dit beleid wordt daarom als gegeven aanvaard en de toetsing door de bestuursrechter dient zich te beperken tot de vraag of het beleid op consistente wijze is toegepast. Het college heeft verklaard dat de kosten van ergonomische hulpmiddelen niet onder de in 4.2.1 genoemde kostensoorten vallen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college dit buitenwettelijk begunstigend beleid inconsistent toepast door de aanvraag in dit geval af te wijzen.

4.3.

Appellante heeft voorts aangevoerd dat zij de kosten moet maken om te kunnen voldoen aan haar re-integratieverplichting. In dat kader heeft appellante gesteld dat noodzakelijke kosten die worden gemaakt in verband met arbeidsinschakeling dan wel re-integratie op grond van artikel 9, eerste lid, van de Re-integratieverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ van de gemeente Alkmaar (Re-integratieverordening) moeten worden vergoed. Zij heeft in dit verband gewezen op de uitspraak van 6 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3299.

4.3.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Ingevolge artikel 9, eerste lid van de Re‑integratieverordening kan het college aan personen behorend tot de doelgroep, een vergoeding verstrekken voor noodzakelijke kosten die gemaakt worden in het kader van de arbeidsinschakeling en re-integratie. Appellante heeft een aanvraag om bijzondere bijstand gedaan in verband met privégebruik van haar computer. Uit de aanvraag en de daarop gegeven toelichting volgt dat appellante niet ook heeft beoogd een onkostenvergoeding te verkrijgen op grond van de Re-integratieverordening in verband met een re-integratie. Indien appellante in aanmerking wenste te komen voor een onkostenvergoeding op grond van artikel 9, eerste lid, van de Re-integratieverordening had zij een daartoe strekkende aanvraag bij het college moeten indienen. Het college was niet gehouden om de aanvraag hier ook ambtshalve als een aanvraag in die zien op te vatten. Vergelijk de uitspraken van 25 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX8173 en 26 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5527. Het beroep op de in 4.3 genoemde uitspraak over de noodzakelijkheid van re-integratiekosten kan daarom ook niet slagen, omdat anders dan in het daar beoordeelde geval, hier de besluitvorming niet berust op de taak van het college op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW tot arbeidsinschakeling en op een verordening als bedoeld in artikel 8a van de PW.

4.4.

Appellante heeft zich tot slot op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor de in bezwaar gemaakte kosten. De beslissing op bezwaar is immers vernietigd als gevolg van een aan het college te wijten onrechtmatigheid.

4.4.1.

Deze beroepsgrond slaagt evenmin. In artikel 7:15, tweede lid, van de Awb is bepaald dat de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 augustus 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY8044), is, mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van dit artikel, van herroepen in de zin van dit artikellid slechts sprake indien het primaire besluit wordt gewijzigd wat betreft het daarbij beoogde of geweigerde rechtsgevolg. Hiervan is in dit geval geen sprake. Een wijziging of aanvulling van de motivering kan niet als zodanig worden aangemerkt. Het bestreden besluit strekt nog steeds tot afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand in de gevraagde kosten.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor toewijzing van het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade is gelet hierop geen grond aanwezig.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling van schade in de vorm van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van S.H.H. Slaats als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2020.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) S.H.H. Slaats