Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2405

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
12-10-2020
Zaaknummer
19/86 PW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Intrekken bijstand. Niet gemelde op geld waardeerbare werkzaamheden in buitenland. Appellant had redelijkerwijs kunnen weten dat verblijf in buitenland en werkzaamheden van belang kunnen zijn voor bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 86 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 27 november 2018, 18/2380 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college)

Datum uitspraak: 22 september 2020

Zitting heeft: L.A. Kjellevold als lid van de enkelvoudige kamer

Griffier: A.A.H. Ibrahim

Partijen zijn niet verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1. Appellant ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet. Na een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand heeft het college bij besluit van

27 oktober 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 april 2018 (bestreden besluit), de bijstand van appellant over de volgende maanden ingetrokken: maart, juli, augustus en september 2014, maart, mei, oktober en november 2015 en maart, april, juli en augustus 2016 (intrekkingsmaanden). Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet bij het college te melden dat hij werkzaamheden heeft verricht en verschillende perioden in het buitenland heeft verbleven. Als gevolg daarvan is het recht op bijstand over de intrekkingsmaanden niet vast te stellen.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft tegenover de sociale recherche onder meer verklaard dat hij voor zijn broer mensen ophaalt en onderbrengt en dat hij zakenrelaties van zijn broer met gehuurde auto’s of busjes in Europa vervoert. Niet in geschil is dat appellant deze activiteiten heeft verricht in de intrekkingsmaanden en dat hij in die maanden diverse keren in het buitenland heeft verbleven. Ook staat vast dat appellant in de jaren 2014 tot en met 2016 op eigen naam auto’s en busjes huurde, dat hij daarmee ruim 27.000 kilometer heeft gereden en dat hij aan autohuur in totaal ruim € 9.000,- heeft betaald. Appellant heeft aangevoerd dat hij weliswaar op geld waardeerbare activiteiten kan hebben verricht, maar dat hij daarvoor geen geld heeft ontvangen. Voor zover appellant met deze beroepsgrond heeft willen aanvoeren dat hij geen op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht, slaagt deze beroepsgrond niet. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is het verzorgen van vervoer van de zakenrelaties van zijn broer, zeker in een omvang als hier aan de orde, aan te merken als op geld waardeerbare activiteiten. In dit verband is niet relevant dat appellant, naar hij stelt, geen vergoeding heeft ontvangen voor bedoelde vervoersactiviteiten. Voor de bijstand is immers niet alleen van belang het inkomen waarover een betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook het inkomen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken.

4. Vast staat dat appellant in de intrekkingsmaanden geen melding heeft gemaakt van zijn hiervoor bedoelde activiteiten, noch van zijn verblijf in het buitenland.

5. Appellant heeft aangevoerd dat hij niet wist en ook niet kon weten dat hij melding moest maken van elk verblijf in het buitenland. Hij hoefde nooit een inkomstenverklaring in te vullen en op te sturen. Verder kan appellant zich niet herinneren dat het college hem bij de toekenning van zijn uitkering twaalf jaar geleden heeft gewezen op de verplichting om korte reizen naar het buitenland te melden. Bovendien sprak appellant toen geen Nederlands en blijkt niet dat bij het intakegesprek een tolk aanwezig was of dat appellant een vertaling van de verplichting in zijn eigen taal heeft ontvangen. Het kan appellant dan ook niet worden verweten dat hij de korte vakantiereisjes in het buitenland niet aan het college heeft gemeld.

6. Voor zover appellant met deze beroepsgrond heeft willen aanvoeren dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, slaagt deze beroepsgrond niet. Verblijf buiten Nederland is een gegeven dat onmiskenbaar van belang is voor de verlening van bijstand. Dit is bijvoorbeeld van belang om te bepalen wat het begin van het verblijf buiten Nederland is zodat de maximale termijn van dat verblijf kan worden vastgesteld. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat hij daarvan melding had moeten maken bij het college. Appellant wist dat ook, nu uit het frauderapport blijkt dat hij eenmaal toestemming heeft gevraagd voor een verblijf in het buitenland voor de periode van 24 mei 2014 tot en met 21 juni 2014. Bovendien heeft appellant niet alleen geen melding gemaakt van zijn verblijf in het buitenland maar ook niet van zijn op geld waardeerbare activiteiten als vervoerder van zakenrelaties van zijn broer. Appellant heeft dus ook in zoverre zijn inlichtingenverplichting geschonden. Verder is de inlichtingenverplichting een objectief geformuleerde verplichting, waarbij verwijtbaarheid geen rol speelt. Beoordeeld moet worden of appellant inlichtingen had moeten geven en dit heeft nagelaten. Dit laatste is hier het geval.

7. Appellant heeft ten slotte aangevoerd dat hij het in strijd met de redelijkheid en billijkheid acht dat hij een bedrag van € 14.735,88 moet terugbetalen, terwijl hij geen geld heeft ontvangen en dit bedrag nooit kan betalen. Zijn inkomen ligt beneden de beslagvrije voet en hij moet medische kosten betalen die niet volledig worden vergoed door de zorgverzekering.

8. Deze beroepsgrond is gericht tegen het inmiddels genomen terugvorderingsbesluit en behoeft dus geen bespreking, nu uitsluitend het intrekkingsbesluit ter beoordeling voorligt en niet (tevens) het terugvorderingsbesluit.

9. Dit leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt.

10. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door L.A. Kjellevold als voorzitter, in tegenwoordigheid van

A.A.H. Ibrahim als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2020.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) A.A.H. Ibrahim (getekend) L.A. Kjellevold