Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2369

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-09-2020
Datum publicatie
08-10-2020
Zaaknummer
18/619 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ouderdomspensioen ten onrechte ongewijzigd gecontinueerd naar dat voor een gehuwde pensioengerechtigde. Duurzaam gescheiden leven. Met appellanten en anders dan de rechtbank en de Svb is de Raad van oordeel dat in de situatie van appellanten vanaf 16 januari 2017 wel sprake is van een gewilde verbreking van de echtelijke samenleving waarbij ieder zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door tenminste één van hen als bestendig is bedoeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 619 AOW, 18/620 AOW

Datum uitspraak: 11 september 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 18 december 2017, 17/1663 en 17/1807 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats 1] in Duitsland (appellant) en [appellante] te [woonplaats 2] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J. Dijkman de hoger beroepen ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellanten waren ten tijde hier van belang met elkaar gehuwd en ontvingen een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) voor een gehuwde pensioengerechtigde. Naar aanleiding van de melding dat appellanten niet meer op hetzelfde adres wonen, heeft de Svb een onderzoek verricht om te bezien of bij appellanten sprake is van duurzaam gescheiden leven als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW. In dat kader hebben appellanten beiden een formulier Onderzoek woonsituatie en een formulier Onderzoek DGL ingevuld. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 11 april 2017.

1.2.

Bij besluiten van 14 april 2017, in stand gelaten bij beslissingen op bezwaar van 19 juni 2017 (bestreden besluiten), heeft de Svb appellanten meegedeeld dat hun ouderdomspensioen ongewijzigd wordt gecontinueerd naar dat voor een gehuwde pensioengerechtigde. Aan de bestreden besluiten ligt ten grondslag dat uit het onderzoek niet is gebleken dat bij appellanten sprake is van duurzaam gescheiden leven als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW. Volgens de Svb is sprake van teveel financiële verstrengeling tussen appellanten om duurzaam gescheiden leven te kunnen aannemen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is bij appellanten geen sprake van duurzaam gescheiden leven. De rechtbank acht hierbij de volgende feiten en omstandigheden van belang. Appellanten hebben een gezamenlijke bankrekening bij de ABN AMRO. Van deze rekening worden de volgende kosten betaald: de hypotheek van de gezamenlijke woning, alle kosten die aan het eigenaarschap van deze woning zijn verbonden, de telefoonkosten van appellante, de huur van de woning van appellant in Duitsland en de ziektekosten van beiden. De inkomsten van appellanten komen binnen op hun gezamenlijke bankrekeningen, ondanks dat zij ieder (inmiddels) ook de beschikking hebben over een eigen rekening. Daarnaast hebben appellanten nog twee gezamenlijke spaarrekeningen en nog twee andere gezamenlijke rekeningen bij de Rabobank. Volgens de rechtbank kan enige financiële verstrengeling onvermijdelijk zijn bij de ontvlechting van een huwelijk, maar de mate van financiële verstrengeling gaat datgene wat daartoe noodzakelijk is, te boven. Pas met de echtscheiding hebben appellanten daarom aanspraak op een ouderdomspensioen voor een ongehuwde, niet omdat zij dan duurzaam gescheiden leven, maar omdat zij dan niet langer zijn gehuwd.

3.1.

Appellanten hebben zich in hun hoger beroepen tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens hen heeft de rechtbank op grond van de genoemde feiten en omstandigheden ten onrechte geoordeeld dat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. Appellanten wijzen opnieuw op de afspraken die over de financiën zijn gemaakt en die zijn neergelegd in het door hen op 30 mei 2017 ondertekende convenant. Die afspraken zien zowel op de situatie na de echtscheiding als op de situatie tot de echtscheiding en de verkoop van de voormalig echtelijke woning. Aan de afspraken lag ten grondslag dat partijen na verevening van de pensioenaanspraken en splitsing van de lijfrekeningen ieder in het eigen onderhoud zouden voorzien. Tot de echtscheiding was pensioenverevening niet mogelijk. Onder begeleiding van een scheidingsexpert zijn de financiën gescheiden op een zodanige wijze dat gezamenlijk te dragen lasten en lasten die beiden privé hadden maar in balans met elkaar waren, in mindering werden gebracht op de aan beiden toekomende inkomsten, waarna het berekende maandelijkse surplus aan partijen van de gemeenschappelijke rekening werd overgemaakt naar de privérekening van ieder. Appellanten hebben zich aan deze afspraken gehouden. Zij wijzen op de onvermijdelijkheid om tot de echtscheiding en verkoop van de voormalig echtelijke woning nog gezamenlijke rekeningen aan te houden alsmede vanwege te verwachten inkomsten uit een uitkering die verband hield met een zogenaamde gouden handdruk. Verder menen appellanten dat zij de betaling van de telefoonkosten, kosten van bewoning en ziektekosten tot de echtscheiding zakelijk en in overeenstemming met het advies van de scheidingsexpert hebben geregeld zodat dit volgens hen niet mag leiden tot de conclusie dat vanwege de financiële verstrengeling geen sprake is van duurzaam gescheiden leven.

3.2.

De Svb heeft in verweer bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

In artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW is bepaald dat als ongehuwd mede wordt aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

4.1.2.

In artikel 17, eerste lid, van de AOW is bepaald dat de Svb het ouderdomspensioen herziet wanneer de betrokkene voor een hoger of lager ouderdomspensioen in aanmerking komt. Op grond van het derde lid van deze bepaling gaat de herziening van het ouderdomspensioen die volgt uit een wijziging van de omstandigheden en die een verhoging van dit ouderdomspensioen tot gevolg heeft, in op de eerste dag van de maand, waarin de wijziging van de omstandigheden heeft plaatsgevonden.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 25 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2918) is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten pas sprake indien ten aanzien van gehuwden de toestand is ontstaan dat, na de door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld. Dit zal moeten blijken uit de feitelijke omstandigheden.

4.3.

Vast staat dat appellanten op 17 juli 2017 wettig gescheiden zijn en dat de Svb hun ouderdomspensioen met ingang van 1 juli 2017 heeft herzien in dat voor een ongehuwde pensioengerechtigde. De vraag is of appellanten al eerder voor het hogere ouderdomspensioen in aanmerking kunnen komen omdat sprake was van duurzaam gescheiden leven. Appellanten menen dat dit per 1 december 2016 (de datum met ingang waarvan de man een huis in [woonplaats 1] huurde) het geval is.

4.4.

Appellant is met ingang van 6 januari 2017 uitgeschreven van het gezamenlijk woonadres in de gemeente [A] en ingeschreven op zijn adres in Duitsland. Appellanten hebben op het formulier woonsituatie in maart 2017 verklaard dat zij sinds 16 januari 2017 niet meer op één adres wonen en dat zij in scheiding liggen. Gelet op de gezamenlijke bewoning kan tot 16 januari 2017 niet worden uitgegaan van duurzaam gescheiden leven.

4.5.

Met appellanten en anders dan de rechtbank en de Svb is de Raad van oordeel dat in de situatie van appellanten vanaf 16 januari 2017 wel sprake is van een gewilde verbreking van de echtelijke samenleving waarbij ieder zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door tenminste één van hen als bestendig is bedoeld. Appellanten hebben onweersproken verklaard uitsluitend nog contact met elkaar te hebben voor zover dit met het oog op de echtscheiding nodig is. Zij ondernemen geen gezamenlijke activiteiten, gaan niet samen op vakantie, hebben geen sleutel van elkaars woning en verzorgen elkaar niet bij ziekte. Naar buiten toe presenteren zij zich als gescheiden. Ook bij de kinderen komen zij elkaar niet tegen. Zelfs als een kind jarig is, ontwijken zij elkaar. Appellanten hebben terecht aangevoerd dat de door de rechtbank aangenomen financiële verstrengeling, zie bij 2, een zakelijk karakter had en bedoeld was om tot een financiële scheiding te komen. Het gaat om afspraken die zijn opgenomen in het echtscheidingsconvenant. Het echtscheidingsconvenant is na tussenkomst van een scheidingsexpert tot stand gekomen en op 30 mei 2017 ondertekend. Vooruitlopend op de definitieve afspraken in het echtscheidingsconvenant hebben appellanten afspraken gemaakt om tot een scheiding van de financiën te komen, zoals deze ook in het echtscheidingsconvenant zijn verwerkt. Uit de door appellanten overgelegde stukken, waaronder bankafschriften, blijkt dat appellanten vanaf december 2016 aldus hebben gehandeld. Niet is gebleken dat de gemaakte afspraken een ander doel hadden dan tot een scheiding van de financiën te komen in het kader van de ontbinding van het huwelijk. Van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat sprake zou zijn van continuering van de echtelijke samenleving, is niet gebleken.

4.6.

Uit wat bij 4.5 is overwogen volgt dat de rechtbank de beroepen ten onrechte ongegrond heeft verklaard. en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Raad zal vervolgens de beroepen tegen de bestreden besluiten beoordelen.

4.7.

Gelet op wat bij 4.5 is overwogen, dient in de situatie van appellanten vanaf 16 januari 2017 te worden uitgegaan van duurzaam gescheiden leven als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW. Dit betekent dat appellanten in aanmerking komen voor een ouderdomspensioen voor een ongehuwde pensioengerechtigde. Uit
artikel 17, eerste en derde lid, van de AOW volgt dat de ingangsdatum daarvoor op
1 januari 2017 dient te worden bepaald. De Svb heeft dit niet onderkend. De bestreden besluiten dienen te worden vernietigd. De Raad zal in het belang van een definitieve beslechting van het geschil op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak voorzien zoals in het dictum is vermeld.

5. Aanleiding bestaat om de Svb te veroordelen in de kosten van appellanten. Deze kosten worden, nu de zaken als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden beschouwd, begroot op € 1.050,- in bezwaar, € 1.050,- in beroep en € 525,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.625,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de besluiten van 19 juni 2017;

- herroept de besluiten van 14 april 2017;

- herziet met ingang van 1 januari 2017 het ouderdomspensioen van appellanten in dat voor een ongehuwde pensioengerechtigde en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten van 19 juni 2017;

- veroordeelt de Svb in de kosten van appellanten tot een bedrag van € 2.625,-.

- bepaalt dat de Svb aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 344,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2020.

(getekend) M.A.H. van Dalen

(getekend) M.D.F. de Moor

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven.