Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2366

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-09-2020
Datum publicatie
12-10-2020
Zaaknummer
19/2994 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen bijzondere bijstand voor kosten bed en sportkleding zoon. Appellante had voor kosten kunnen reserveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2994 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 14 september 2020

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 juni 2019, 18/6223 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Šimičević, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2020. Namens appellante is verschenen mr. Šimičević. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Mersel.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt sinds 2015 bijstand op grond van de Participatiewet (PW), eerst in de gemeente Maassluis en vanaf 11 juni 2016 in de gemeente Vlaardingen. Appellante heeft een minderjarige zoon die autistisch is en een verstandelijke beperking heeft.

1.2.

Appellante heeft op 27 maart 2018 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van een bed en sportkleding voor haar toen achtjarige zoon.

1.3.

Bij besluit van 13 april 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 november 2018 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen. Hieraan ligt ten grondslag dat niet is gebleken dat de kosten van een nieuw bed en nieuwe sportkleding voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Niet is gebleken dat appellante niet voor deze kosten heeft kunnen reserveren. Ook is niet gebleken dat het oude bed gevaarlijk was voor haar zoon.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft de bijstandverlenende instantie een zekere beoordelingsruimte.

4.2.

Niet in geschil is dat de kosten waarvoor appellante bijzondere bijstand heeft aangevraagd zich voordoen en noodzakelijk zijn. Ook niet in geschil is dat dit algemeen noodzakelijke kosten van bestaan zijn die in beginsel uit het ter beschikking staande inkomen moeten worden voldaan. Daarvoor wordt alleen bijzondere bijstand verleend indien de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, die ertoe leiden dat die kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan. Het geschil spitst zich toe op de beantwoording van de vraag of de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Hierbij dient te worden betrokken of appellante de mogelijkheid heeft gehad voor deze kosten te reserveren.

4.3.

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij niet in staat is geweest om uit het beschikbare inkomen te reserveren voor de kosten van een nieuw bed en nieuwe sportkleding voor haar zoon. Hierbij wordt het volgende in aanmerking genomen. Appellante ontvangt al sinds 2015 bijstand. Appellante ontvangt bovendien vanwege de medische problematiek van haar zoon twee keer extra kinderbijslag. Verder heeft het college aan appellante op grond van gemeentelijk minimabeleid via het sportfonds een toeslag van € 100,- toegekend voor de aanschaf van sportkleding voor haar zoon. Anders dan appellante stelt, is niet gebleken dat het college geen rekening heeft gehouden met de bij hem bekende persoonlijke en financiële problemen van appellante.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.G. Okhuizen, in tegenwoordigheid van Y. Al-Qaq als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 september 2020.

(getekend) E.C.G. Okhuizen

(getekend) Y. Al-Qaq